Nieuwsuur

Het www is kapot, hoe gaan we het repareren?

Nieuwsuur
Geschreven door
Rudy Bouma
verslaggever

Van wie is die foto die je net op Instagram hebt gezet? Waar blijft je YouTube-filmpje eigenlijk als je het hebt geplaatst? En ben jij wel de baas over jouw privacy? Het zijn vragen die te maken hebben met de enorme macht van techreuzen als Facebook en Google. Vragen ook die specialisten ertoe brengen te zeggen dat het wereldwijde web kapot is.

Maar hoe repareren we het? Dertig jaar na de uitvinding van het 'world wide web' ontstaan er steeds meer initiatieven om de techgiganten te bestrijden en de zeggenschap over data terug te geven aan de internetgebruikers. Vorige maand noemde een onderzoekscommissie van het Britse parlement de top van Facebook "digitale misdadigers".

De Duitse mededingingsautoriteit berichtte eveneens vorige maand dat Facebook zijn dominante marktpositie misbruikt door buiten het eigen platform data te gebruiken. Facebook-baas Mark Zuckerberg zelf zegt nu de komende jaren meer rekening te willen houden met de privacy van gebruikers.

Het is 12 maart 1989 als de Britse ingenieur Tim Berners-Lee een voorstel doet bij het nucleaire onderzoeksinstituut CERN in Genève, om documenten op het internet beter inzichtelijk te maken. Dat internet wordt tot dan toe vooral gebruikt door wetenschappers en overheid. Het idee van Berners-Lee behelst een webbrowser, internetadressen (URL's) en klikbare linkjes. Zijn baas krabbelt erboven 'vaag, maar opwindend'.

Persoonlijke datakluis

Drie decennia later is het web groter gegroeid dan haar uitvinder ooit had bevroed, maar het is niet geworden wat Berners-Lee ervan had gehoopt, zo zei hij vorig jaar in Nieuwsuur. Hij maakt zich zorgen over de verspreiding van desinformatie, heimelijke politieke beïnvloeding en privacyschandalen.

Berners-Lee werkt samen met de Gentse hoogleraar computerwetenschappen Ruben Verborgh aan een oplossing. "Data staat overal verspreid", zegt Verborgh. "We weten niet meer wat ermee gebeurt".

De oplossing waar Berners-Lee en Verborgh aan werken bij het Massachusetts Institute of Technology heet Solid: een persoonlijke datakluis waarin webgebruikers al hun data opslaan. Als ze iets willen posten op een platform zoals Facebook, sturen ze deze foto niet naar het sociale medium, maar mag dat platform alleen een linkje maken naar de foto. Die blijft in de persoonlijke datakluis. Hetzelfde geldt voor commentaren die op het web worden geplaatst. Het voordeel is dat de gebruiker zelf de baas blijft over zijn data.

"Een ander voordeel is dat ik kan besluiten om naar een andere app over te stappen zonder dat ik mijn data kwijt ben." Zelf gebruiken Berners-Lee en Verborgh Solid, maar het moet nog gebruikersvriendelijk worden gemaakt voor het grote publiek.

Amsterdam Internet Exchange

"Dat concept is precies wat ik tien jaar geleden heb voorgesteld tijdens een lezing waar Berners-Lee ook was", zegt internetpionier Steven Pemberton. "Misschien heb ik het zaadje wel geplant."

Pemberton was de eerste internetgebruiker van Europa: hij maakte in het najaar van 1988 bij het Centrum Wiskunde en Informatica de connectie met een server in New York. Sindsdien is hij nauw betrokken bij de ontwikkeling van het webconsortium W3C van Berners-Lee. Ook schreef hij mee aan de programmeertaal html.

Naast het kantoor waar Pemberton via een telefoonlijntje inlogde op het internet is nu een enorm datacenter verrezen. Een van de partijen die er servers huurt, is de Amsterdam Internet Exchange, het grootste- en snelste internetknooppunt ter wereld. Techgiganten slaan er de persoonlijke data van internetgebruikers op.

Goede voorbeeld

Het web is geëvolueerd van een netwerk waarop gebruikers vrij informatie kunnen uitwisselen tot een netwerk waarop grote commerciële partijen de voorwaarden stellen. "Onze bedoeling was dat de informatie op je eigen computer stond en je dat deelt met anderen, dus decentrale distributie van data", zegt Pemberton. "We hopen het opnieuw in die richting te krijgen." Pemberton wil het maken van webpagina's weer makkelijker maken voor de gebruikers en zo programmeurs buiten spel zetten.

Ook Geert-Jan Bogaerts, hoofd digitaal van de VPRO, gaat de strijd aan met de techgiganten. Hij is de initiatiefnemer van Public Spaces, een alliantie van bijna twintig culturele- en maatschappelijke instellingen. "Het stuitte me tegen de borst dat wij ons als publieke omroep nog genoodzaakt voelen om gebruik te maken van Facebook, terwijl we in programma's als Lubach op Zondag tegen het platform ageren. We moeten eigenlijk het goede voorbeeld geven."

De aangesloten partijen willen het inloggen via Google, reageren via Facebook-comments en video's kijken via ingebedde YouTube-filmpjes uitbannen op hun platforms. Public Spaces heeft in Nederland een bereik van vijf tot zeven miljoen mensen maar moet uitgroeien tot een Europese alliantie. Zo praat Bogaerts met de BBC, andere Europese omroepen, universiteiten, de EU en musea als het Louvre en Prado.

Lange weg met obstakels

"Wij gaan alternatieven die de afgelopen dertig jaar ook zijn ontwikkeld maar minder bekend zijn, maar wel gegrond zijn in de publieke waarden, promoten en inzetten", aldus Bogaerts. Naast samenwerking met Solid denkt hij daarbij aan open source applicaties als PeerTube voor video's, Mastodon voor sociale interactie, Signal voor tekstberichten, ISSO voor reactiemogelijkheden en IRMA van Radboud-hoogleraar Bart Jacobs voor identificatie.

"Het is mijn ultieme ambitie om het Europese tegenwicht tegen Sillicon Valley te vormen", zegt Bogaerts. Het is een lange weg, bezaaid met obstakels, maar we hebben de eerste stappen gezet."

Deze browser wordt niet ondersteund voor het spelen van video. Update uw browser naar Internet Explorer 10 of hoger om video af te kunnen spelen.

Het www is kapot, hoe gaan we het repareren?

Lees hieronder de gesprekken terug die Nieuwsuur voerde met gedesillusioneerde ex-medewerkers van Google en Facebook:

Nieuwsuur

Nieuwsuur is een programma van

STER Reclame