ANP

Er valt iets op bij de maandelijkse bekendmaking van de Europese inflatiecijfers: de percentages lopen sterk uiteen. Waar Portugal in december 2,8 procent inflatie rapporteerde, was dat in Estland meer dan het viervoudige: 12 procent.

De inflatiecijfers laten grote verschillen zien:

NOS/Eurostat

"De hoge inflatie in Europa komt voornamelijk door hoge energieprijzen", zegt ING-econoom Bert Colijn. "De grote verschillen zijn deels een gevolg van hoe landen omgaan met die prijzen. Hoe afhankelijk zijn ze van fossiele brandstoffen, wat voor energiecontracten zijn er de norm en wat voor maatregelen nemen landen om die stijging te dempen?"

Volgens Rabobank-macrostrateeg Bas van Geffen spelen ook de hoge voedselprijzen in de wereld een rol. "Die stijging komt door de energiekosten van productie en vervoer (beide ook duurder door de gasprijzen), weersomstandigheden, schaarste en het wereldwijde transport dat door corona werd verstoord."

We keken naar Estland, waar de inflatie het hoogst was; Portugal waar, op het piepkleine Malta na, de inflatie het laagst was; Frankrijk, dat snel ingreep op de energieprijzen; Spanje, dat voor een Zuid-Europees land een hoge inflatie heeft en naar de situatie in ons eigen land.

NOS/Eurostat

Estland (12 procent)

Estland torent boven de andere eurolanden uit. "Dat komt doordat de prijzen in Estland heel flexibel zijn", zegt Rasmus Kattai, econoom bij de centrale bank van Estland. "Door de pandemie daalden de prijzen, waardoor de stijging nu sterker lijkt dan hij daadwerkelijk is."

Daarnaast hangt de inflatie in het land samen met het snelle economisch herstel. "De lonen stegen met 7 procent en door pensioenhervormingen was er meer te besteden", zegt Kattai. "Meer vraag betekent hogere prijzen. Ook steeg de elektriciteitsprijs nog eens extra vanwege een tekort, omdat verschillende elektriciteitscentrales buiten gebruik waren."

Tegelijkertijd komen hogere energieprijzen harder aan. Estlanders besteden gemiddeld een groter deel van hun inkomen aan energie dan bijvoorbeeld Nederlanders, ook omdat de lonen lager zijn. Om de inflatie wat te drukken, heeft de overheid de netwerkkosten voor gas en elektriciteit verlaagd.

Frankrijk (3,4 procent)

In Frankrijk is het aandeel nucleaire energie hoog: zo'n 70 procent komt uit kerncentrales. Maar dat is niet de reden voor de relatief lage inflatie. De prijs van stroom van kernenergie is namelijk gekoppeld aan internationale stroomprijzen. De lage inflatie komt met name doordat de Franse regering de gas- en elektriciteitsprijzen heeft bevroren.

Frankrijk-correspondent Frank Renout: "De koopkracht is al sinds jaar en dag de grootste zorg onder de Fransen. Toen energieprijzen stegen, greep de regering dan ook razendsnel in met steunmaatregelen. In 2018 en 2019 gingen namelijk massaal de gele hesjes de straat op vanwege gestegen brandstofprijzen. President Macron wil herhaling van zulke grote protesten voorkomen, zo kort voor de presidentsverkiezingen in april."

Jaarlijks krijgen de laagste inkomens een energiecheque, die dit jaar iets hoger is. Dat heeft alleen geen invloed op de inflatieberekening.

Spanje (6,6 procent)

Spanje kampt met de hoogste inflatie sinds 1992, vooral door energie. Ook de voedselprijzen (plus 6,5 procent) spelen een rol.

"Spanje haalt redelijk wat gas uit Algerije, dat voor een deel via Marokko wordt getransporteerd", zegt Rabobank-strateeg Van Geffen, "Maar aan dat meerjarige contract kwam eind oktober een einde door oplopende spanningen tussen Algerije en Marokko. De onzekerheid over de vernieuwing van dat contract leidde onder meer tot hogere prijzen." Ook hebben veel Spanjaarden een energiecontract waarin de hoge gasprijs direct wordt doorberekend.

Vergeleken met andere Europese landen zijn Spanjaarden een groter deel van hun inkomen kwijt aan voedsel. "In periodes van inflatie zie je dat in Spanje meteen wordt gekeken naar de prijs van olijfolie. Die ging enorm omhoog, net als de prijs voor dagelijkse inkopen als vlees, eieren of brood", stelt correspondent Rop Zoutberg.

"Op markten klagen kooplui dat hun klanten veel minder kopen. De Spaanse regering roept dat de curve snel weer omlaag gaat. Maar uiteindelijk hangt veel af van internationale energieprijzen en daarop heeft het land maar beperkt invloed."

Portugal (2,8 procent)

In november kwam de Portugese inflatie voor het eerst sinds 2012 boven de 2 procent. Volgens het Portugese bureau voor de statistiek stijgen de energieprijzen in Portugal minder sterk dan in andere landen, omdat de belasting daarop lager is. Bovendien hebben veel huishoudens jaarcontracten, die tot januari lopen. Veel Portugezen zullen dus pas vanaf deze maand hun energierekening gaan voelen. Mensen met een kleine beurs krijgen van de regering een derde korting op hun rekening.

Een andere oorzaak waardoor de inflatie in Portugal relatief laag ligt, is omdat het land door corona veel inkomsten misliep: het land is erg afhankelijk van toerisme. De prijzen van hotels en restaurants daalden met 6,2 procent, wat het inflatiegemiddelde enigszins drukt. Daarnaast hadden mensen vanwege hun inkomensverlies minder te besteden, en minder vraag leidt tot dalende prijzen.

Nederland (6,4 procent)

In Nederland ligt de inflatie relatief hoog. Ook hier zijn hoge energieprijzen de grootste veroorzaker, en die sijpelen door naar andere sectoren. Er zijn geen maatregelen om de hoge energieprijzen te bevriezen. Dit jaar gaat wel eenmalig de energiebelasting omlaag.

In Nederland is tijdens corona door de overheid heel veel geld uitgegeven om mensen aan het werk te houden. Veel geld in een economie pompen kan tot inflatie leiden. Tegelijkertijd werd er tijdens de lockdowns een recordhoeveelheid gespaard, waardoor huishoudens extra te besteden hadden toen Nederland weer openging. Door extra vraag en tekorten in sectoren als de bouw, autosector en papier gingen prijzen verder omhoog.

Als naast energie ook andere producten en diensten duurder worden, kun je hogere inflatie ook zien als een resultaat van snel economisch herstel, vindt Colijn van ING: "Onze economie heeft het goed gedaan en is al boven het niveau van voor de crisis. Het gaat goed op de arbeidsmarkt, de werkloosheid is historisch laag. Wat nog achterloopt, zijn de lonen, maar dat is altijd zo met inflatie. Ik denk dat die in de loop van het jaar zullen meegroeien."

'Eén kogel om te schieten'

De inflatiecijfers in eurolanden verschillen dus, maar is dat een probleem? Ja, vindt Lex Hoogduin, hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. "We hebben één instituut dat de inflatie onder controle moet houden: de Europese Centrale Bank. Die kan alleen beleid voeren op het gemiddelde, dus ze hebben maar één kogel om mee te schieten. Als de verschillen tussen landen te groot zijn, dan is het beleid te streng voor de een en voor de ander niet streng genoeg."

"Vooral in dit soort omstandigheden horen landen ervoor te zorgen dat hun begrotingsbeleid ook gericht is op het zorgen voor prijsstabiliteit", vindt Hoogduin. "Het is zaak geen olie op het vuur te gooien met stimulerend begrotingsbeleid als er opwaartse risico's voor prijsstabiliteit zijn, zoals nu. Dat geldt des te meer als de inflatie in eigen land hoger is dan het gemiddelde in het eurogebied. Dan zou het begrotingsbeleid zelfs op de rem moeten gaan staan."

STER reclame