Studeren, lenen en ontvangen: zo ging dat vroeger (en nu)

Aangepast
ANP
Geschreven door
Erika de Joode
redacteur Online

De rente op studieleningen gaat omhoog. Ondanks kritiek van oppositiepartijen gaat een meerderheid van de Tweede Kamer toch akkoord met dat plan van minister Van Engelshoven van Onderwijs.

Politiek gesteggel over studiebeurzen is zeker niet nieuw. Al sinds de invoering van de basisbeurs in 1986 - en eigenlijk ook al lang daarvóór - zijn de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, overheidssteun voor studerende jongeren en onderwijskansen voor arm en rijk onderwerp van politieke discussie.

Kinderbijslag

Gedurende hetgrootste deel van de 20e eeuwkregen ouders met studerende kinderen een soort toeslag op de kinderbijslag. De gedachte daarachter was: ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen en daar is hun opleiding onderdeel van.

Kinderen uit armere gezinnen konden wel een beurs krijgen. Ook konden studenten renteloos extra geld lenen, maar eigenlijk was lenen toen "ondenkbaar", zegt onderwijs- en beleidshistoricus Pieter Slaman van de Universiteit Leiden. "Vooral in het begin van de 20e eeuw was studeren echt voor de elite. Die had geen lening nodig."

Basisbeurs

Een belangrijke omslag kwam in 1986. Toen kregen alle voltijdstudenten een basisbeurs. Voor thuiswonende studenten was dat bijna 300 gulden per maand en voor uitwonende studenten zo'n 600 gulden. Omgerekend naar nu is dat ongeveer 240 euro en 475 euro. Veel studenten maakten zich boos op Onderwijsminister Deetman over deze regeling, omdat rijke en arme studenten evenveel geld ontvingen.

Ook waren ze het niet eens met nieuwe regels die Deetman in 1988 had ingevoerd: voortaan hadden studenten maximaal 6 jaar recht op studiefinanciering. De onvrede onder studenten leidde tot veel protesten, zoals op deze foto te zien is in Amsterdam.

1988: studenten voelen zich 'uitgekleed' door toenmalig Onderwijsminister Deetman ANP

Wel konden studenten uit minder welgestelde gezinnen een aanvullende beurs krijgen, die bestond uit een gift en een lening. In 1986 maakte zo'n 40 procent van de studenten daar gebruik van, zegt Slaman. Alle studenten konden ook extra geld lenen en dat met rente terugbetalen, maar dat deden er maar weinig.

Prestatiebeurs

Dat laatste veranderde in de jaren 90. Langzaamaan werd het voor studenten steeds normaler om geld te lenen. Ook werken naast de studie werd gebruikelijker. Veel jongeren moesten dat ook wel, want in 1996was de basisbeurs een stuk lager dan 10 jaar daarvoor.

In de jaren 90 werd het steeds normaler om geld te lenen en te werken naast je studie.

Pieter Slaman, Universiteit Leiden

Bovendien werd in dat jaar de prestatiebeurs ingevoerd, die van de basisbeurs een lening maakte. Pas als een student daadwerkelijk zijn diploma behaalde, werd het bedrag omgezet in een gift. "Dit leidde bij veel mensen aanvankelijk tot leenangst of leenaversie", aldus Slaman. "Pas later werd het meer gemeengoed om schulden te maken voor je studie."

Ov-studentenkaart

Tegenover die lagere basisbeurs in de jaren 90 stond overigens wel een andere vorm van studiefinanciering: de ov-studentenkaart, die in 1991het levenslicht zag.

Die kaart moest allerlei problemen tegelijk oplossen, zoals de dalende reizigersaantallen van de NS en de filedruk, zegt Slaman. Ook konden studenten nu makkelijker thuis blijven wonen met een goedkopere studiebeurs, was het idee. Maar de studenten zelf waren niet zo blij met de ov-kaart, want ter compensatie daalde hun basisbeurs met 60 gulden (27 euro) per maand.

Leenstelsel

De ov-studentenkaart bestaat nu nog steeds, zij het dat studenten moeten kiezen tussen kaart voor weekdagen of weekenden. Dat was ook een van de voorwaarden om in 2015op een nieuw systeem te kunnen overgaan: het leenstelsel. De VVD en PvdA hadden dat in 2012 al afgesproken in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II, maar zij hadden er geen meerderheid voor in de Eerste Kamer.

Daarom riepen ze de hulp in van oppositiepartijen. Met steun van D66 en GroenLinks kwam het leenstelsel er uiteindelijk toch, volgens toenmalig Onderwijsminister Bussemaker "de belangrijkste onderwijshervorming in dertig jaar".

De basisbeurs bestaat niet meer; studenten aan het hoger onderwijs kunnen nu 480 euro per maand lenen. Met een kleine of geen aanvullende beurs kan daarbovenop nog een lening komen van 391 euro. Ook kunnen studenten nog een aparte lening van maandelijks 172 euro afsluiten om het collegegeld te betalen.

Nog steeds krijgen alle studenten een ov-kaart en maken studenten uit minder rijke gezinnen aanspraak op een aanvullende beurs. Als zij binnen 10 jaar afstuderen, hoeven ze de ov-kaart en de beurs niet terug te betalen.

Studieschuld

De gemiddelde studieschuld van studenten schommelt nu rond de 13.000 euro. Volgens het Centraal Planbureau neemt dat bedrag door de invoering van het leenstelsel toe tot gemiddeld 21.000 euro. Studenten die van de hogeschool of universiteit komen, hebben 35 jaar om dat bedrag af te lossen. Hoeveel ze per maand moeten betalen, hangt af van hun inkomen. En is hun schuld na 35 jaar niet helemaal afgelost, dan wordt de rest kwijtgescholden. Op dit moment staat de rente op 0 procent, maar dat percentage gaat dus omhoog.

STER Reclame