ANP

Over de Britse variant van het coronavirus is de afgelopen tijd veel gezegd. De besmettelijker variant neemt de corona-uitbraak in Nederland over en leidt mogelijk tot een derde golf. Dat vooruitzicht was een belangrijke reden voor de strengere coronaregels die het demissionaire kabinet eind januari invoerde, waaronder de (inmiddels aangevochten) avondklok.

Een maand geleden was het beeld dat de Britse variant ongeveer half februari dominant kon worden. Maar de onzekerheid rond die voorspelling was zo groot dat het gemakkelijk ook een maand later kon worden. De indruk was verder dat de variant, ook wel B.1.1.7 genoemd, besmettelijker was dan de 'klassieke' variant, maar niet dodelijker of ziekmakender.

Maar wat weten we nu over het ziekteverloop en sterfte door de Britse variant?

Op 11 februari is in het Verenigd Koninkrijk een overzicht gepubliceerd van alle beschikbare onderzoeken over de mutant. Volgens die overzichtsstudie stapelen de aanwijzingen zich op dat variant B.1.1.7 toch een hoger sterftecijfer kent dan de klassieke variant. Van de twaalf studies lieten er acht een (sterk) verhoogde mortaliteit zien. Eén studie suggereerde hogere sterfte, maar was te klein voor harde conclusies. Drie studies lieten geen hogere sterfte zien, maar wel een (veel) ernstiger ziekteverloop.

De auteurs van de overzichtsstudie noemen zelf geen getal voor het hogere sterftecijfer. In de besproken studies varieerde dat cijfer van zo'n 10 tot 70 procent hoger.

"Alles wijst wel in dezelfde richting van hogere mortaliteit", zei epidemioloog Alma Tostmann van het Radboudumc er maandag over in Nieuws & Co op NPO Radio 1. "De vraag is of dat komt doordat de Britse variant voor meer besmettingen zorgt of doordat de variant heftiger is." Tostmann denkt zelf dat het grotere aantal besmettingen het meest bijdraagt aan de hogere mortaliteit.

Zien wij daar in Nederland al iets van terug?

Artsen in verschillende grote ziekenhuizen vertellen de NOS dat ze nog geen tekenen zien dat de sterfte onder covid-patiënten met de Britse variant hoger is. Hetzelfde geldt voor de ernst van de ziekte.

Om dergelijke verschillen te zien, zijn een flink aantal patiënten met de Britse variant én voldoende overlijdensgevallen nodig. Anders is geen vergelijking mogelijk met de sterfte in even grote en vergelijkbare groep patiënten met de klassieke variant. Bovendien is lang niet altijd bekend welke virusvariant een patiënt heeft. De genome sequencing, het in kaart brengen van het volledige genetische profiel van het virus, gebeurt bij een at random geselecteerde steekproef van positieve monsters.

Verder zijn er ook aanzienlijke regionale verschillen in de verspreiding van de Britse variant. In West-Brabant bijvoorbeeld komt die nog nauwelijks voor, In de GGD-regio's Hart van Brabant, Zuid-Oost Brabant en Zeeland des te meer.

Zien we de opmars van de Britse variant wel terug in de besmettingscijfers?

Steeds meer mensen raken besmet met de Britse variant, meldde het RIVM gisteren. Van de coronapatiënten die op 12 februari hun eerste 'ziektedag' hadden, had naar schatting iets meer dan twee derde deze B.1.1.7-variant opgelopen. Vorige week werd het aandeel van de Britse variant nog geschat op zo'n 60 procent.

Het aandeel van de Britse variant ten opzichte van het totale aantal besmettingen NOS

Het aantal positieve coronatests is de afgelopen zeven dagen ongeveer gelijk gebleven, in vergelijking met de week daarvoor. Mogelijk speelt mee dat de testlocaties maandagochtend gesloten waren vanwege het winterse weer, zegt het RIVM.

Het R-getal van de Britse variant is ongeveer gelijk gebleven. Op 22 januari was dat 1,13. Op 29 januari 1,15. Dat betekent dat 100 mensen met een infectie 115 mensen aansteken. Daarvoor was het R-getal overigens hoger: 1,28. Het R-getal van de klassieke variant, dat weken daalde, steeg nu licht van 0,80 naar 0,84.

Valt het dan niet best mee?

Het gaat om de relatieve aantallen, zegt infectieziektenmodelleur Quirine ten Bosch van de Wageningen Universiteit. "Het aantal besmettingen met de oude variant neemt af, want daarvan zit het R-getal redelijk onder de 1. Maar in de tussentijd groeit het aandeel van de nieuwe variant."

Mensen denken soms dat we alles dichtgooien voor 500 mensen op de IC, vervolgt Ten Bosch. "Maar die gedachte is niet juist. Je doet het voor al die mensen die niet op de IC terechtkomen. Dat is lastig, want die mensen zie je niet. Het zijn je buren, ouders en vrienden die bij wijze van spreken naast je thee zitten te drinken. De maatregelen zijn er om een veelvoud van 500 IC-patiënten te voorkomen."

Volgens Aura Timen van het RIVM hadden de cijfers er zonder maatregelen veel slechter uitgezien:

Steeds meer mensen besmet met Britse variant coronavirus

"Je ziet het effect van preventie en denkt: oh, het probleem is voorbij", zegt Timen. "Maar dat is natuurlijk niet zo."

Wat maakt het zo lastig om het aandeel van de Britse variant precies te voorspellen?

De praktijk is is weerbarstig, zegt infectieziektenmodelleur Ten Bosch. "Het meest voor de hand liggende scenario is dat een variant die zich sneller verspreidt het uiteindelijk 'wint', dat is evolutionair gezien het waarschijnlijkst. Daarvoor kijk je naar het R-getal, dat bij de Britse variant boven de 1 ligt. Die verspreidt zich dus sneller. De 'klassieke' variant lijkt het duidelijk te verliezen."

Maar, zegt de infectieziektenmodelleur, het R-getal zegt niet alles. "Er spelen allerlei andere dingen mee die bepalen hoe lang het duurt voordat de nieuwe variant de overhand krijgt, zoals in welke populatie een virusvariant zich in de praktijk verspreidt."

En precies dat zorgt ervoor dat alle voorspellingen van de laatste tijd met betrekking tot de Britse variant met grote onzekerheidsmarges omgeven zijn. Dat is ook voortdurend benadrukt door Jacco Wallinga, de hoofdmodelleur van het RIVM en andere deskundigen.

STER reclame