ANP
Aangepast

'Risico dat verkrachter opnieuw in de fout gaat nu niet goed ingeschat'

Het risico dat een zedendelinquent opnieuw in de fout gaat, wordt in Nederland niet volgens de best beschikbare methode ingeschat. Dat concludeert Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen Corinne Dettmeijer in een rapport over het opleggen van behandelingen aan zedendelinquenten.

Volgens Dettmeijer schatten reclassering en gedragsdeskundigen de kans op herhaling niet op de juist manier in. Er is een goede methode beschikbaar, die wetenschappelijk is onderbouwd en breed wordt erkend als de beste, stelt Dettmeijer. Deze methode wordt toegepast in Groot-Brittannië, de VS, Australië en Canada, maar niet in Nederland.

We weten daardoor niet goed genoeg welke zedendelinquenten het grootste risico vormen voor de samenleving en zedendelinquenten krijgen daardoor ook niet altijd een passende behandeling. Dat brengt risico's met zich mee voor de veiligheid van de samenleving, aldus Dettmeijer.

'Risico dat verkrachter opnieuw in de fout gaat nu niet goed ingeschat'

Geen tbs zonder vastgestelde stoornis

Het onderzoek van de Nationaal Rapporteur werd al voor de dood van Anne Faber uitgevoerd, maar sluit wel aan op de ontstane discussie en kritiek op de manier waarop zedendelinquenten in Nederland gestraft en behandeld worden.

De verdachte in de zaak, Michael P., werd in 2012 veroordeeld voor een tweevoudige gewelddadige verkrachting. Omdat hij niet wilde meewerken aan een psychologisch onderzoek, konden de gedragsdeskundigen geen geestelijke stoornis vaststellen. En dat is wettelijk vereist om een gedwongen behandeling te kunnen opleggen. P. kreeg van de rechter daarom alleen een gevangenisstraf.

De moord op Anne Faber roept vragen op: wie bepaalt hoe gevaarlijk zedendelinquenten zijn, wat voor behandeling moeten ze krijgen en wanneer is het veilig genoeg om ze weer de samenleving in te sturen? Kun je ook tbs opleggen als een verdachte niet meewerkt aan psychologisch onderzoek?

Meetinstrumenten gebruiken voor risico-inschatting

Als een zedendelinquent voor de rechter moet verschijnen, vraagt de rechter meestal eerst aan gedragswetenschappers van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) om een zogeheten PJ-rapportage te maken. Daarin proberen gedragsdeskundigen vast te stellen of de verdachte een geestelijke stoornis heeft en of er risico is op recidive. Er wordt dan ook een behandeladvies gegeven.

Maar het meten van het recidiverisico, gaat dus niet goed, stelt Dettmeijer. "Voor die risicotaxatie zijn er heel goede statistische instrumenten. Dat zijn vragenlijsten waarmee je, ook zonder medewerking van de verdachte, een goede inschatting kunt maken." Alleen, dat meetinstrument wordt op dit moment niet altijd gebruikt, zegt Dettmeijer.

En als het gebruikt wordt, voegen psychologen er vaak nog een eigen analyse aan toe. Dat vertroebelt het resultaat en maakt de risico-inschatting minder accuraat. "Het is belangrijk dat ze de uitkomst van het meetinstrument bepalend laten zijn voor de uiteindelijke risico-inschatting en dus ook het behandeladvies."

Een geestelijke stoornis hoeft helemaal niet bepalend te zijn voor de kans dat iemand opnieuw de fout in gaat.

Wineke Smid, ​forensisch psycholoog

Forensisch psycholoog Wineke Smid, gepromoveerd op risicotaxatie bij zedendelinquenten, legt uit hoe het in zijn werk gaat. "Bij het invullen van de vragenlijsten gebruiken we feitelijke gegevens zoals leeftijd, eerdere veroordelingen en de relatie met het slachtoffer. Dat zijn zaken die echt wat zeggen over het risico op recidive. De ernst van het delict zegt daar veel minder over. Dat staat echt los van elkaar."

En daarom moeten experts puur kijken naar de zaken die in het instrument aan bod komen. "We denken vaak dat we nog allemaal andere dingen kunnen bedenken die een persoon gevaarlijk of risicovol maken en die laten we dan toch meewegen. Maar dat werkt dus niet. Risicotaxatie is het vak van het loslaten."

Dettmeijer begrijpt niet waarom de statistische instrumenten nog niet overal worden gebruikt. "Want er is geen enkele goede reden om dat niet te doen. Er is een overvloed aan wetenschappelijke literatuur die vaststelt dat de voorspellende mogelijkheden van deze instrumenten vele malen groter zijn dan het klinisch oordeel van de gedragsdeskundige."

Ze weet dat er ook onderzoeken zijn die wel uitgaan van het nut van klinisch onderzoek. Maar voor haar is duidelijk wie het bij het rechte eind heeft. "Je kunt de vergelijking maken met de enorme hoeveelheid onderzoek die is gedaan naar klimaatverandering en het handjevol mensen dat zegt dat het anders zit."

Risico centraal in plaats van stoornis

Wat moet er dan nu gebeuren? Dettmeijer doet in haar rapport een aantal aanbevelingen: gedragsdeskundigen van het NIFP moeten de bewezen meetinstrumenten voor risicotaxatie gaan gebruiken en die leidend laten zijn in hun eindoordeel. Ze moeten ook duidelijker zijn in het beschrijven van het risico. Vervolgens moeten ze die risicotaxatie ook bepalend laten zijn voor het behandeladvies.

Dettmeijer vindt ook dat het Openbaar Ministerie en rechters het risico dat iemand vormt bepalend moeten laten zijn voor de gedwongen behandelvorm die wordt gekozen. Op dit moment staat iemands geestelijke stoornis centraal bij het al dan niet opleggen van tbs. Dat is wettelijk zo geregeld.

Volgens forensisch psycholoog Smid is de wet achterhaald. "We weten al lange tijd dat een geestelijke stoornis helemaal niet bepalend hoeft te zijn voor de kans dat iemand opnieuw de fout in gaat. Mensen kunnen ook zonder stoornis een groot recidiverisico hebben." Zij pleit er dan ook voor dat de wet veranderd wordt.

Deel artikel:

Advertentie via Ster.nl