In een lab wordt een positieve test onderzocht op de omikronvariant AFP

Het AstraZeneca-vaccin geeft geen bescherming tegen infectie door de omikronvariant, het Pfizer-vaccin nog een beetje. Dat heeft Jaap van Dissel, hoofd infectieziektebestrijding van het RIVM, gezegd in de Tweede Kamer. Een boosterprik kan de bescherming weer opwaarderen naar 75 procent.

Of de bescherming van de vaccins tegen ziekenhuisopname als gevolg van een infectie met de omikronvariant ook sterk is afgenomen, is nu nog onduidelijk, al zei Van Dissel dat de eerste tekenen er niet goed uitzien. "Ik denk dat nu vooral de oproep is: booster, booster, booster."

De verwachting is dat omikron begin januari de dominante variant wordt. Terwijl het aantal besmettingen met delta langzaam afneemt, zal het aantal besmettingen met omikron in januari naar verwachting snel stijgen.

"We weten nog een heleboel dingen niet", zei Van Dissel. Een van de vragen die nog leeft is de vraag of omikron nu besmettelijker is. "Dat is geen open deur. Het kan ook zo zijn dat de opgebouwde bescherming tegen de variant minder is". Volgens Van Dissel is het resultaat hoe dan ook hetzelfde: de verspreiding gaat twee tot driemaal sneller.

Extra maatregelen

Wie volledig is gevaccineerd heeft nu gemiddeld nog zo'n 50 procent bescherming tegen een infectie bij de deltavariant. Bij omikron is dat dus een stuk lager, blijkt uit gegevens uit een voorlopige kleine studie uit het Verenigd Koninkrijk.

"Voor klachten bij een infectie biedt het in Engeland geen beschermende werking", aldus Van Dissel. "Dat wil niet zeggen dat het tegen ziekenhuisopname en IC-opname niets zou doen. Die getallen hebben we gewoon nog niet."

Volgens Van Dissel is boosteren daarom het belangrijkste wapen in de strijd tegen de nieuwe variant. Of genoeg mensen zich opnieuw laten prikken gaat volgens hem bepalen hoe we de komende golf doorkomen. "Die booster is waar het nu om gaat. De booster gaat in belangrijke mate bepalen hoeveel extra maatregelen we straks nog moeten nemen."

Zes of drie maanden

Tot dusver was het beleid om mensen zes maanden na hun tweede vaccinatie een boosterprik aan te bieden. Het kortetermijndeel van antistoffen die zijn aangemaakt na de vaccinatie is na zes maanden namelijk verdwenen, en de meer duurzame antistoffen zijn overgebleven. Als je te vroeg boostert heeft het lichaam nog te veel korte termijn-antistoffen, waardoor het lichaam de booster voor een deel negeert.

Volgens hoogleraar vaccinologie aan de Universiteit Utrecht Cécile van Els, die als immunoloog bij het RIVM werkt, kun je het vergelijking met een sporttraining. Het lichaam heeft na zo'n training tijd nodig om te herstellen. Als je de dag na een zware training meteen weer gaat sporten, bouw je minder conditie op.

Lichaam beter getraind

Toch vindt ze het verstandig dat de boosterprik nu al beschikbaar komt, ook al zijn de eerste vaccinaties voor veel mensen minder dan zes maanden geleden. "Na drie maanden is dat effect grotendeels al bereikt, en is de getrainde afweer al tot rust gekomen. Zes maanden was beter geweest, maar vanwege de omikrongolf die op ons afkomt hebben we nu geen keuze."

Volgens Van Els heeft een boostercampagne direct effect, doordat de immuniteit snel omhoog gaat. "Een paar dagen moet je het wel geven, maar het gaat veel sneller dan de eerste vaccinatierespons."

Bij elke vaccinatie wordt het lichaam beter getraind om antistoffen aan te maken en het virus te bestrijden als het binnendringt. Een vierde prik in de zomer zou dus kunnen helpen, maar volgens Van Els zal dat wel met een doorontwikkeld vaccin moeten zijn. "Er moet nu goed nagedacht worden over wat de beste strategie is. Maar het Wuhan-vaccin toedienen lijkt me straks niet het beste. Een omikronvaccin zou dan veel logischer zijn."

STER reclame