'Verbeterde medische zorg hield de Eerste Wereldoorlog aan de gang'

Ondergronds veldhospitaal Collectie Leo van Bergen
Geschreven door
Rinke van den Brink
Redacteur gezondheidszorg

De Eerste Wereldoorlog was een bloedbad van ongekende omvang, met in totaal ongeveer 8,5 miljoen doden en zo'n veertig miljoen gewonden. Nooit eerder moesten artsen en verpleegkundigen, met beperkte middelen, zoveel mensen oplappen.

In die oorlogsjaren waren er ontwikkelingen die je met enige goede wil vooruitgang van de medische wetenschap zou kunnen noemen. Maar dan wel in dienst van de oorlogvoering. Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) wijdt een speciale uitgave aan de Eerste Wereldoorlog. Daarin beschrijven artsen voorbeelden van vooruitgang in die periode.

Negentig procent sterfte

Door het enorme aantal gewonde soldaten dat geopereerd moest worden in vooral veldhospitalen, was er behoefte aan betere anesthesie. De methoden die tot dan toe gebruikt werden, leidden bij patiënten tot sterke verlaging van de bloeddruk en hoge sterfte.

De Britse arts Geoffrey Marshall werd naar Poperinge bij Ieper gestuurd met als taak het sterftecijfer onder ernstig gewonde soldaten bij operaties te drukken. Dat lag bijvoorbeeld bij amputaties van het bovenbeen op ongeveer negentig procent. De gangbare anesthesie met ether werkte niet goed. Marshall ontwikkelde met hulp van anderen een apparaat waarmee op een betrouwbare manier een mix van ether, lachgas en zuurstof toegediend kon worden.

Dat werd het standaardapparaat voor anesthesie, al ging een andere militaire arts met de eer aan de haal. Deze Henri Boyle paste het apparaat wat aan en publiceerde erover. Het apparaat van Boyle - en dus eigenlijk van Marshall - is het model waarop alle later ontwikkelde anesthesieapparaten ontwikkeld zijn.

"Maar zou deze ontwikkeling anders niet hebben plaatsgevonden?", vraagt historicus Leo van Bergen zich af. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de geneeskunde in de Eerste Wereldoorlog en schreef enkele artikelen in de NTvG-special. "Het is een ontwikkeling in oorlogstijd, maar ook door de oorlog? Ik denk dat het er vooral sneller is gekomen onder druk van de omstandigheden."

1/5Een verbandplaats waar gewonde soldaten enigszins opgelapt werden, voordat ze afgevoerd werden naar een veldhospitaal Collectie Leo van Bergen
2/5Brancardiers ergens aan een front in de Eerste Wereldoorlog Collectie Leo van Bergen
3/5Een militair hospitaal Collectie Leo van Bergen
4/5Duits oorlogshospitaal in Berlijn Collectie Leo van Bergen
5/5Een veldpost waar eerste verzorging van gewonden plaatsvond Collectie Leo van Bergen

De Duitse psychiater Emil Kraepelin begon al ruim voor de Eerste Wereldoorlog met het indelen van geestelijke aandoeningen op grond van de symptomen ervan. In zijn optiek waren vooral biologische factoren verantwoordelijk voor psychische aandoeningen. Kraepelin kan als voorloper beschouwd worden van de DSM, het handboek dat al ruim 65 jaar in gebruik is en waarin alle psychische aandoeningen beschreven staan.

Tijdens WO I keerde Kraepelin zich eigenlijk af van zijn patiënten. "Medici moesten niet de individuele zieken bijstaan, maar de natie helpen de strijd zegerijk af te sluiten", zegt Van Bergen in een artikel over Kraepelin. "Psychisch gezond was hij die in staat was anderen te doden. De soldaat die weigerde te schieten werd waanzinnig verklaard."

"Kan weer terug naar het slagveld" George Grosz/collectie Leo van Bergen

Die opvatting bestond niet alleen in Duitsland. Ook de Britse neuroloog, psychiater en antropoloog William Rivers stoomde in zijn kliniek Craiglockhart in Schotland zijn patiënten, gewonde officieren, zo snel mogelijk klaar voor terugkeer naar het front. Maar Rivers opvattingen veranderden. Hij ging zich steeds meer bezwaard voelen dat hij zijn patiënten zo goed en zo kwaad als dat ging genas om ze terug te kunnen sturen naar het slagveld.

Mythe

Van Bergen relativeert "de mythe van de medische vooruitgang dankzij de oorlog". Van Bergen: "Als je kritisch kijkt, dan kan je niet zeggen dat er sprake was van vooruitgang door de oorlog. Elke periode van vier jaar kent vooruitgang op allerlei gebied, de geneeskunde ook. Vrede is altijd veel beter geweest voor de ontwikkeling van de geneeskunst."

De oorlog belemmerde bijvoorbeeld internationale uitwisseling van artsen en wetenschappers. "En heel veel van de zorg was puur oorlogsgerelateerd", zegt van Bergen. Gewonden soldaten moesten zo snel mogelijk weer naar het slagveld. "Het ging echt niet om medische vooruitgang. Bij psychische problemen werden de patiënten gewoon banger gemaakt voor de psychiatrische ziekenhuizen dan voor het front of de wapenfabriek."

1/3Twee soldaten die plastische chirurgie hebben ondergaan Collectie Leo van Bergen
2/3De taak van het Rode Kruis, opgelapt terug naar het front en rechts het schilderij De Dokter van Christopher Nevinson, een van de officiële oorlogsschilders van het Britse leger Collectie Leo van Bergen
3/3Emil Kaeperlin (links) en Georg Friedrich Nicolai Collectie Leo van Bergen

Medische vooruitgang was er wel op het terrein van orthopedie en plastische chirurgie. "Over die vakken is heel veel kennis vergaard", zegt Van Bergen. "Orthopedie ging voor de Eerste Wereldoorlog over het behandelen van kinderen met de Engelse ziekte, een botaandoening door gebrek aan vitamine D en calcium. In de oorlog veranderde dat in het aanmeten van protheses bij gewonde soldaten zodat ze weer ingezet konden worden."

Hij vertelt over soldaten van wie een arm weggeschoten was. Die kregen geen primitieve prothese. "Ze kregen bijvoorbeeld een stuk aan hun arm gezet waaraan een boormachine zat om in de wapenfabriek schroeven aan te kunnen draaien."

Soldaten van wie het gezicht grotendeels was weggeslagen kregen dankzij de zich ontwikkelende plastische chirurgie bijvoorbeeld weer een neus aangezet. "Maar ze zagen er nog steeds niet uit", zegt van Bergen. "En die ontwikkeling van het vak was er toch wel gekomen met de behandeling van slachtoffers van fabrieksongevallen en verkeersongelukken.

Verlenging

In de vier jaar dat de Eerste Wereldoorlog heeft geduurd is volgens Van Bergen tachtig tot negentig procent van de veertig miljoen gewonden weer opgelapt, zodat ze terug konden naar het front of naar de wapenfabrieken. "Dat zijn 30 tot 35 miljoen mensen in vier jaar tijd. Dat heeft zeker bijgedragen aan het voortduren van de oorlog. Anders waren de soldaten eerder op geweest, zou je kunnen zeggen. Uit een humaan oogpunt moesten die mensen natuurlijk verzorgd worden. Maar je moet wel stilstaan bij het effect dat het gehad heeft."

STER Reclame