Veruit de meeste statushouders na 2,5 jaar niet aan het werk

Aangepast
ANP

11 procent van de asielzoekers die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, had binnen 2,5 jaar een baan. Dat blijkt uit cijfers van het CBS. De asielzoekers met een baan werkten voornamelijk in de horeca, de uitzendbranche of de handel. Het overgrote deel van de statushouders, 84 procent, zat na 2,5 jaar nog in de bijstand.

Jasper Kuipers van Vluchtelingenwerk Nederland vindt het niet vreemd dat het een aantal jaren duurt voordat asielzoekers met een verblijfsvergunning helemaal kunnen meedoen. Na het krijgen van een vergunning moeten ze heel veel praktische zaken regelen, zei hij in het NOS Radio 1 Journaal.

Zo moeten ze op zoek naar een huis, de taal leren en erachter komen hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit. "Het duurt een paar jaar voordat mensen echt in staat zijn om helemaal mee te doen en aan het werk te gaan", zei Kuipers.

Het CBS deed dit onderzoek in opdracht van de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Justitie en Veiligheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De ministeries wilden weten hoe het met asielzoekers gaat die vanaf 2014 in Nederland zijn aangekomen.

In vergelijking met andere nationaliteiten vonden Afghanen relatief snel een baan: 29 procent. Dat heeft meerdere oorzaken. Afghanen krijgen vaak hulp van landgenoten die al sinds de jaren 80 in Nederland zijn. "Je ziet dat er een netwerk is waarbij men elkaar aan een baan kan helpen", zei Kuipers.

Daarnaast zijn Afghanen die naar Nederland komen vaak hoger opgeleid dan asielzoekers uit andere landen. Dat komt door de aanwezigheid van de islamitische terreurgroep Taliban in Afghanistan. "Juist hoger opgeleide mensen moeten het land ontvluchten omdat de Taliban het voor pro-westerse mensen heel onveilig maakt."

Ook denkt Kuipers dat de cijfers die het CBS gebruikt 'vervuild' zijn met Afghanen die al langer in Nederland zijn, maar waarvan de verblijfsvergunning was ingetrokken. Later kregen ze opnieuw een vergunning, waardoor ze opnieuw als nieuwe statushouders meetelden. "Dus dat zijn mensen die al Nederlands spraken en misschien al een baan hadden."

In 2014 kregen 20 duizend asielzoekers een verblijfsvergunning asiel. Bijna drie kwart van deze statushouders komt uit Syrië (10.000) of Eritrea (4000). Na het verkrijgen van de vergunning moeten de statushouders binnen drie jaar slagen voor het inburgeringsexamen. Op 1 oktober 2016 was dat nog maar 6 procent gelukt. Van de statushouders uit Syrië en Eritrea was dat nog iets lager (5 procent en 4 procent).

Uit het CBS-onderzoek blijkt dat asielzoekers in eerste instantie een baan vinden waar weinig opleiding voor nodig is, zoals in de horeca. Kuipers vindt dat jammer. Hij wil dat gemeenten meer maatwerk leveren.

"Iedereen krijgt dezelfde inburgering aangeboden. Je zou willen dat er beter gekeken wordt naar mogelijkheden van mensen. Misschien is het voor die schapenboeren uit Eritrea prima om in de horeca aan de slag te gaan. Maar het is voor die tandarts uit Syrië heel erg zonde van zijn capaciteiten. Met iets meer bijscholing kan er veel meer uit gehaald worden."

Eritreeërs en Syriërs

Eritreërs en Syriërs komen het moeilijkst aan een baan. Van de Eritreeërs heeft na 2,5 jaar maar 5,8 procent een baan, van de Syriërs 10,5 procent. Wat de Eritreeërs betreft, begrijpt Kuipers dat wel. Hij noemt Eritrea wel eens het Noord-Korea van Afrika. "Mensen krijgen nauwelijks onderwijs. Als je alleen maar basisschool hebt gehad is het natuurlijk lastiger om hier aan het werk te gaan. Van de Syriërs snapt hij het niet goed.