In 2012 twaalf jaar cel, nu verdachte in de zaak Anne Faber. Hoe kan dat?

Wouter Laumans

Michael P., een 27-jarige zedendelinquent die sinds 2010 vastzit, is nu de voornaamste verdachte in de vermissing van de 25-jarige Anne Faber. Het leidt tot vragen over wie deze verdachte is en hoe het kan dat hij, relatief kort na zijn veroordeling, alweer in beeld kan komen bij een andere zaak.

Details over zijn aanhouding zijn er nog niet. Zo is het onduidelijk of de politie hem op het spoor is gekomen na dna-onderzoek of dat de instelling waar P. zit aan de bel trok. Hij wordt door het Openbaar Ministerie momenteel verdacht van betrokkenheid bij de vermissing van Faber. Ook vandaag wordt weer naar de 25-jarige Faber gezocht.

P. wordt donderdag of vrijdag voorgeleid aan de rechter-commissaris. Tot die tijd zit hij, zoals dat heet, "in beperkingen" en mag hij alleen contact hebben met zijn advocaat. Die wil op dit moment nog niet reageren.

Eerdere veroordeling

P. werd in 2010 aangehouden voor het verkrachten van een 16- en een 17-jarig meisje. Dat gebeurde in de nacht van 30 april op 1 mei in Nijkerk. Hij bedreigde de meisjes met een vuurwapen, dwong ze tot seksuele handelingen met elkaar en verkrachtte hen. In 2012 werd hij voor het misdrijf veroordeeld tot 11 jaar cel. Daarbovenop kwam een celstraf van 12 maanden voor een gewapende overval.

In 2018 heeft P. twee derde van zijn straf uitgezeten. Daardoor zit hij in een fase waarin hij recht heeft op voorwaardelijke invrijheidstelling.

Toen Michael P. maandag werd aangehouden als verdachte in de zaak Faber, zat hij in zogeheten detentiefasering, een periode waarin de veroordeelde wordt voorbereid op een terugkeer in de maatschappij. "Dat omvat de laatste periode van detentie en de eerste periode na detentie. In die tijd wordt onderzocht wat de dader nodig heeft om terug te keren in de samenleving", zegt hoogleraar reclassering Peter van der Laan.

"Het is daarnaast goed om te realiseren dat je in Nederland niet snel zo'n lange celstraf krijgt", legt Van der Laan uit. "De straf, 12 jaar cel, geeft in mijn ogen aan dat de rechter zich wel bewust was van de ernst van de zaak."

Ondanks de ernst van zijn misdrijf, kreeg P. geen tbs opgelegd, hij weigerde mee te werken aan psychologisch onderzoek. "Daar kan hij niet toe gedwongen worden. Hij kan wel worden geplaatst in het Pieter Baan Centrum en daar worden geobserveerd, maar dan kan er niks worden gezegd over zijn toerekeningsvatbaarheid, omdat hij niet meewerkt."

Op de elfde dag van Anne Fabers vermissing wordt verder gezocht naar de 25-jarige Utrechtse. ANP

Een rechter kan in uitzonderlijke gevallen wel besluiten om iemand tbs op te leggen, ook al werkt de dader niet mee. "Maar dan moet een rechter wel heel zeker zijn van zijn zaak. Dat zou namelijk betekenen dat de rechter zonder deskundig advies besluit dat dit noodzakelijk is. Dat zou een vergaande stap zijn, ik denk dat rechters zich op dat vlak terughoudend opstellen."

"Hij is veroordeeld voor een ernstig delict en dan wordt hij dus ook als zodanig behandeld", gaat Van der Laan verder. "Doordat hij geen tbs heeft gekregen is er sprake van een reguliere gevangenisstraf." En daarin wordt het normale traject gevolgd, met uitzicht op vrijlating.

Van der Laan: "Op het moment dat detentiefasering start, begint ook de langzame terugkeer naar de samenleving. Met verlof, beperktere beveiliging, overdag buiten zijn, aan het werk gaan. Maar ik vermoed dat bij deze man wel is vastgesteld dat aanvullende behandelingen op zijn plaats zijn."

Hij zat nu een beetje in een schemergebied, waardoor het risico mogelijk minder goed in beeld is.

Peter van der Laan, hoogleraar reclassering

De grote vraag die blijft: wie was op de dag van de vermissing van Faber verantwoordelijk voor P., als blijkt dat hij echt wat met de zaak te maken heeft? Dat lijkt ingewikkeld te liggen. "Formeel is het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor de executie, maar de uitvoering ligt bij het gevangeniswezen of bij de reclassering of bij allemaal tegelijk. Dus dat is onduidelijk."

Die gedeelde verantwoordelijkheid komt volgens de hoogleraar door de overgangsfase waar P. als veroordeelde inzit. "Pas later wordt er een risico-analyse gemaakt. Hij zat nu een beetje in een schemergebied, waardoor het risico mogelijk minder goed in beeld is."

Van der Laan benadrukt ten slotte dat het bijna altijd goed gaat in de overgang van detentie naar vrijheid: "Het is goed om te bedenken dat in 99 procent van gevallen waarbij detentiefasering plaatsvindt zich geen incidenten voordoen. Een zaak als deze komt zelden voor."