Nieuwsuur
Van Trump naar Biden
EPA

Peilingen zijn palingen, hoor je regelmatig uit de mond van journalisten en opiniemakers aan de borrel- of talkshowtafel. "Het zijn natuurlijk maar peilingen, maar...", om vervolgens toch te vergeten dat het 'maar' peilingen zijn en conclusies te trekken. Ook de afgelopen dagen is er verbazing te zien rondom de Amerikaanse peilingen. Grote vraag is of dat terecht is.

Nu het al een paar dagen spannend is wie de president wordt, vragen sommige mensen zich af "waarom de opiniepeilers het wéér mis hadden". Joe Biden zou de verkiezingen toch met een ruime marge winnen, dat was toch voorspeld?

In sommige gevallen wordt 2016 aangehaald, toen de peilingen ervan uitgingen dat Clinton makkelijk zou worden. Toen dat niet gebeurde, werd boos naar peilers gekeken. Maar zo erg zaten ze er niet naast: de absolute stemverhouding was redelijk goed voorspeld. Het ging op staatsniveau fout. Er was onvoldoende gecorrigeerd voor opleidingsniveau en er waren veel stemmers die op het laatste moment voor Trump kozen - waarna het Amerikaanse kiessysteem Trump naar de winst bracht.

Peilers peilen stemintentie en een einduitslag, geen tussenstanden. Zolang in verschillende staten nog stemmen moeten worden geteld, is niet te zeggen of voorspellingen dit jaar klopten. Het is simpelweg te vroeg.

Grote trends en grove voorspellingen

Het is sowieso niet verstandig om op basis van peilingen voorspellingen te doen, zegt politicoloog Tom van der Meer van de Universiteit van Amsterdam. "Ze worden gebruikt als voorspellingsmodellen, zoals bij een groot wedkantoor. Maar peilingen hebben veel onzekerheden. Er zijn foutmarges."

Volgens Van der Meer worden peilingen op de verkeerde manier gebruikt. "Peilingen zijn goed in staat om grote trends terug te vinden. En ze kunnen grofweg verhoudingen tussen partijen inschatten. Waar ze niet zo geschikt voor zijn, is het precisiewerk, de kleine veranderingen, de kleine verschillen", zegt Van der Meer.

Maar dat is nu precies waar men snel naar kijkt. "Die wisselwerking tussen media en peilers creëert dan een realiteit die niet hoeft te kloppen. Peilinguitslagen lijken op nieuws, het geeft de suggestie dat het iets belangrijks zegt. Terwijl dat niet zo hoeft te zijn", zegt Van der Meer.

Als een peiling zegt dat iemand wint met 60 procent en het wordt 64 procent, dan wordt gezegd dat de peiling correct was, zegt universitair hoofddocent Tom Louwerse, die de gecombineerde Peilingwijzer opzette. "Maar voorspel je 52 procent en wordt het 48 procent, dan zeggen ze dat het helemaal mis is", zegt hij. "Peilingen zijn veel meer dan percentages. Je kan vragen naar achtergronden, naar verklaringen, achterhalen waarom welke groepen op welke manier stemmen."

Louwerse merkt op dat het er vooralsnog op lijkt dat de peilers het in ieder geval niet overal goed hadden. "De nationale peilingen lijken nu - al wordt nog geteld - wel te kloppen, maar bij verschillende deelstaatpeilingen kun je vraagtekens plaatsen. Daar moet goed naar gekeken worden."

Dubbeltje op zijn kant

Juist als de uitslag niet van tevoren duidelijk is, worden peilingen interessant gevonden, zegt Van der Meer. "Vaak klopt het niet exact, maar werd de grove trend wel degelijk goed gepeild. Maar als er een nek-aan-nekrace is, en de uitslag een dubbeltje op zijn kant is, zijn peilingen niet goed in staat te bepalen welke kant het dubbeltje op valt."

Vervolgens wordt vaak gezegd dat de peilers het mis hebben, maar dat klopt volgens de politicoloog niet. "De resultaten worden al snel verkeerd geïnterpreteerd. Uit onderzoek blijkt dat mensen niet beïnvloed worden door de peiling zelf, maar door journalisten of talkshowgasten die hun duiding erover geven."

Louwerse denkt dat er teveel waarde wordt gehecht aan headline figures, totaalcijfers. "Van tevoren worden uitkomsten vaak erg zwart-wit gemaakt en overgeïnterpreteerd. Dan krijgen peilingen heel veel gewicht. Na de verkiezingen vinden dezelfde mensen de peilingen weer allemaal onzin", zegt Louwerse. "Enige nuance zou prettig zijn."

STER reclame