Ed van Thijn in 1983 Hans van den Bogaard

PvdA-politicus Ed van Thijn, die vanochtend op 87-jarige leeftijd overleed, stond in de jaren 60 en 70 bekend als "de man achter Den Uyl" en "de schildknaap van Den Uyl". Hij volgde zijn partijleider trouw. Volgens hemzelf kwam dat doordat hij nooit de ambitie had om zelf de nummer 1 te worden, hoewel hij destijds wel als kroonprins werd genoemd.

Jaren later legde Van Thijn in een van zijn vele boeken uit waarom hij altijd wat in de schaduw wilde blijven. Hij kende zijn beperkingen, zoals zijn moeizame spreektrant, die treffend werd geparodieerd door Kees van Kooten, en die merkwaardig contrasteerde met zijn vlotte schrijfstijl.

Ook zijn Joodse afkomst speelde een rol, vertelde hij in de jaren 90. "Ik was bang voor antisemitisme, zonder dat zich ooit een concrete aanleiding had voorgedaan, maar die angst droeg ik nu eenmaal met mij mee. Nee, mijn hoogste ambitie was een nummer twee te zijn."

In de jaren 1983-1994 was hij als burgemeester wel nummer 1 in Amsterdam. Daarvoor en daarna was hij tweemaal kort minister van Binnenlandse Zaken en onder het kabinet-Den Uyl (1973-1977) was hij fractieleider van de PvdA.

Bekijk hieronder een video met een terugblik op Van Thijns leven:

Ed van Thijn (87), PvdA-coryfee en oud-burgemeester van Amsterdam, overleden

Van Thijn (1934) was het enige kind van een Joods echtpaar, dat in 1943 in Amsterdam werd opgepakt en werd afgevoerd naar Westerbork. Ze ontkwamen aan de gaskamers doordat de vader uit de trein sprong en zijn vrouw en zoon vervolgens uit Westerbork wist te krijgen.

Van Thijn zat daarna, gescheiden van zijn ouders, op achttien onderduikadressen. Op het laatste adres, een boerderij in Overijssel, waande hij zich in luilekkerland. Terwijl in Holland honger heerste, deed hij zich tegoed aan boterhammen met eieren en spek en dikke plakken bloedworst.

Op 26 november 1944 ging het mis. De Duitsers vonden hem en namen hem mee naar een Huis van Bewaring. Daar probeerden ze uit hem te krijgen dat hij een Jood was. Ze schreeuwden tegen de 10-jarige jongen, smeten voorwerpen naar hem, dreigden met honden, lieten een felle lamp in zijn ogen schijnen, maar Van Thijn hield vol dat hij geen Jood was.

Uiteindelijk werd hij toch nog naar Westerbork gebracht, maar daarvandaan vertrokken geen treinen meer naar de vernietigingskampen.

Handtastelijkheden

Na de bevrijding werd Van Thijn met zijn ouders herenigd. De oorlog bleef als een schaduw over het gezin hangen, al werd er nooit over gesproken. Zijn vader werd rijk als textielhandelaar, de vakanties werden doorgebracht in dure hotels en de zoon - die op de zondagen met zijn vader naar Ajax ging - werd schaamteloos verwend.

Intussen werden de spanningen in het gezin ondraaglijk. Van Thijns moeder had geregeld heftige huilbuien, zijn vader ontembare driftbuien, waarbij hij zijn vrouw soms naar de keel vloog. "Diverse malen heb ik me gillend tussen hen in moeten werpen om verdere handtastelijkheden te voorkomen", schreef Van Thijn later.

Den Uyl

Van Thijn studeerde politieke wetenschappen en kwam dankzij de latere minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel nog voor het einde van zijn studie terecht bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Hij had grote bewondering voor Den Uyl, die daar toen directeur was.

Met zijn politieke carrière ging het voorspoedig. In 1962 werd hij lid van de Amsterdamse gemeenteraad, als opvolger van Den Uyl, die wethouder werd. In 1965 werd hij fractievoorzitter, in 1967 Tweede Kamerlid. In die jaren werd zijn relatie met Den Uyl nog hechter doordat ze samen op en neer pendelden tussen Den Haag en hun woonplaats Amsterdam.

Een aantal foto's van zijn carrière:

Van Thijn was de bedenker van de polarisatiestrategie, waarbij de tegenstelling tussen links en rechts centraal werd gesteld. Het moest de macht van de confessionele middenpartijen breken. Van Thijn vond dat de PvdA alleen met hen moest regeren als ze vóór de verkiezingen een voorkeur uitspraken voor een progressief kabinet. Dat zou bij hen 'een scheiding der geesten' teweegbrengen.

De polarisatiestrategie leidde tot twee van de moeilijkste kabinetsformaties uit de Nederlandse geschiedenis: die van 1972/1973 en van 1977. In 1973 leidde de formatie tot het kabinet-Den Uyl, met tien progressieve en zes confessionele ministers. Van Thijn volgde Den Uyl op als fractievoorzitter. Hij hield in die functie vast aan de polarisatie en bleef de confessionelen én zijn eigen premier onder druk zetten.

In 1974 stelde hij dat het kabinet-Den Uyl als lakmoesproef voor zijn progressiviteit vier hervormingsvoorstellen moest doorvoeren. Dat werd geen succes: in 1977 viel het kabinet al over het eerste hervormingsvoorstel.

Dagboek van een onderhandelaar

Dat was het werk van KVP-minister van Justitie en vicepremier Van Agt, die inmiddels tot CDA-lijsttrekker was gekozen. Die ontwikkeling betekende een tweede fiasco voor de polarisatiestrategie, want die had de vorming van het CDA als nieuwe middenpartij niet kunnen voorkomen.

De polarisatie leidde vervolgens tot een derde fiasco. Bij de verkiezingen haalde de PvdA haar beste uitslag ooit, waarna een tweede kabinet-Den Uyl met het CDA voor de hand lag. Maar Den Uyl en Van Thijn dreven het CDA met onmogelijke eisen in de armen van de VVD. Van Thijn schreef er zijn eerste boek over: Dagboek van een onderhandelaar. Wie denkt dat de politiek nu absurd is, moet dat nog maar eens lezen.

De formatie leverde ook de eerste barsten op in de relatie met Den Uyl. Kort voor het eind van zijn leven vertelde Van Thijn dat hij Den Uyl als verbitterde oppositieleider tegen Van Agt soms onuitstaanbaar vond, al bleef hij hem ook bewonderen.

Verbijsterd, zijn favoriete uitdrukking

In 1981 gingen CDA en PvdA, gedwongen door de verkiezingsuitslag, alsnog samen regeren, in het tweede kabinet-Van Agt. Van Thijn en Den Uyl hadden besproken dat Den Uyl nooit minister zou worden onder Van Agt, maar Den Uyl kwam daarvan terug.

Van Thijn was 'verbijsterd' (verbijsterd was een favoriete uitdrukking van hem), maar dat verhinderde hem niet zelf ook in het tweede kabinet-Van Agt plaats te nemen, als minister van Binnenlandse Zaken. Ook dat werd geen succes: het kabinet viel na acht maanden en de PvdA kwam weer in de oppositie.

Amsterdam

Na het debacle van 1982 verliet Van Thijn de Tweede Kamer om burgemeester van Amsterdam te worden. Toen hij aantrad ging het niet goed met Amsterdam. Er was veel overlast van drugshandel en kleine criminaliteit en de stad was in de greep van geweld van de kraakbeweging. De krakers hadden van de Staatsliedenbuurt een soort vrijstaat gemaakt, waar politie, woningbouwverenigingen en gemeente niets te zeggen hadden.

Van Thijn had de moed de buurt binnen te gaan, waar hij met de Hitlergroet werd onthaald.

Onder hem kwam het keerpunt. Met doortastend beleid herstelde hij de orde in de stad. Hij stond voor een krachtig gezag en een sterke politie, die niet met zich liet spelen. Hij trok als sterke man bij de politie Erik Nordholt aan, die ruime bevoegdheden kreeg. Ook investeerde hij in de relatie met het bedrijfsleven, een sector waar hij tot dan toe geen ervaring mee had gehad.

Het werkte: geleidelijk werd de stad op de krakers heroverd, werd de drugsoverlast teruggedrongen en ging Amsterdam weer groeien en bloeien. Bij zijn aftreden werd hij gezien als een van de beste burgemeesters die Amsterdam had gehad.

IRT-affaire

In 1994 liet Van Thijn zich door Wim Kok overhalen terug te keren in de landelijke politiek, om de plots overleden Ien Dales op te volgen als minister van Binnenlandse Zaken.

Het werd een kort en ongelukkig avontuur. Na een paar maanden trad hij af omdat de Tweede Kamer in een motie uitsprak dat hij zich niet meer mocht bemoeien met de aansturing van het Interregionale Rechercheteam van de politie. Hij werd verdacht van een dubieuze rol in wat de IRT-affaire ging heten, die draaide om de grootschalige doorlating van drugs en het meedoen aan drugshandel door de politie in de hoop zo 'grote vissen' te vangen.

Uit de parlementaire enquête die volgde, bleek dat Van Thijn niets te verwijten viel, maar toen had de affaire zijn politieke loopbaan al gebroken. PvdA-leider Kok liet Van Thijn in de zomer van 1994 vallen. Bij de formatie van zijn eerste kabinet liet hij Van Thijn weten dat er voor hem geen plaats was in zijn kabinet. Later erkende Kok dat hij Van Thijn niet goed behandeld had.

Van Thijn schreef er zijn tweede boek over, Retour Den Haag. Door recensenten werd het hoog geprezen, maar zijn partijgenoten namen hem deze niets verhullende inkijk in de politiek hoogst kwalijk en negeerden hem lange tijd.

De Nacht van Van Thijn

Toch keerde Van Thijn in 1999 nog in Den Haag terug als lid van de Eerste Kamer. Hij speelde ook nog eenmaal een belangrijke rol in de politiek en werd zelfs een van de weinige politici naar wie een nacht is genoemd.

In de Nacht van Van Thijn, 22 maart 2005, keerde hij zich als woordvoerder van de senaatsfractie van de PvdA tegen een grondwetswijziging die de gekozen burgemeester mogelijk moest maken. Het voorstel van D66-minister en partijleider Thom de Graaf haalde daardoor niet de vereiste tweederde meerderheid.

Het was Van Thijns laatste politieke kunstje. Bij D66 waren de druiven zuur. De Graaf noemde de PvdA "de kampioen van de regenten", D66-minister Brinkhorst noemde Van Thijn 'een rat', een kwalificatie waarin Van Thijn een antisemitische bijklank hoorde.

In de laatste twintig jaar van zijn leven schreef Van Thijn veel, ook over de oorlog en zijn Joodse identiteit. Hij was niet religieus opgevoed, had de eerste helft van zijn leven zijn oorlogservaringen weggedrukt en zich volledig geassimileerd. Maar vanaf de jaren 90 was hij intensief bezig met het jodendom en met Israël en in 2000 werd hij lid van de Liberaal Joodse Gemeente.

De laatste jaren trad hij niet meer in de openbaarheid. Door een zeldzame ziekte, polyneuropathie, was hij verlamd en had hij zijn volle haarbos verloren. Jarenlang werd hij thuis verzorgd door zijn derde echtgenote, Odette Taminiau, tot hij in februari 2017 naar een zorgvilla aan het Museumplein verhuisde.

STER reclame