Schade aan een monumentale toren in Zeerijp na een aardbeving in 2018; het Groningse dorp werd deze week getroffen door liefst vier bevingen ANP

Beoordelingen van bevingsschades door gespecialiseerde bureaus lopen bij vergelijkbare schades om onduidelijke redenen sterk uiteen. RTV Noord concludeert op basis van een intern onderzoek van het Instituut Mijnbouwschade Groningen dat het ene schadebureau structureel minder bevingsschade toekent dan het andere. Het verschil is soms vele duizenden euro's.

In het voorjaar is vanwege de problematiek de afhandeling van zo'n 1500 dossiers stilgelegd. Jouke Schaafsma zei namens het Instituut Mijnbouwschade vanochtend in het NOS Radio 1 Journaal dat die dossiers na het aanpassen van richtlijnen inmiddels weer zijn opgepakt. "Maar dat betekent niet dat alle problemen zijn opgelost", benadrukte hij.

Vier bureaus, grote verschillen

RTV Noord schrijft dat het instituut vier bureaus inhuurt voor het beoordelen van schade: 10BE, CED, DOG en Stichting NIVRE Calamiteiten & Projecten. Onafhankelijke experts van die bureaus beoordelen de schade voor het schadeloket. Dat adviesrapport is bepalend of iemand een schadevergoeding krijgt en hoe hoog die is.

Uit het onderzoek blijkt dat experts van NIVRE structureel minder bevingsschade toekennen. 10BE is sinds mei 2020 minder schades gaan toekennen. CED en DOG kenden in dezelfde periode juist meer schades toe.

Bas Kortmann, bestuursvoorzitter van het Instituut Mijnbouwschade, erkent tegenover de regionale omroep dat de grote verschillen niet te begrijpen en ongewenst zijn. Kortmann: "De verschillen zijn onaanvaardbaar groot. Soms zitten er duizenden euro's verschil tussen het ene en andere bureau terwijl wij de gevallen vergelijkbaar vinden."

Kortmann gist naar een verklaring. "Het zou in theorie kunnen dat NIVRE het bij het rechte eind heeft en dat de anderen te makkelijk en te hoog toekennen. Maar vanuit het perspectief van de burger kan het niet zo zijn dat de een zoveel meer krijgt dan de ander."

Het is voor ons ook bloedvervelend.

NIVRE-voorzitter Ad Westerhof

NIVRE-voorzitter Ad Westerhof noemt net als Kortmann de flinke verschillen onaanvaardbaar. Hij twijfelt niet aan de rapporten van zijn experts. "Ik sta in voor de kwaliteit. Wij instrueren onze mensen ook niet om zuinig te zijn. Absoluut niet. We werken op haast wetenschappelijk niveau. Het is voor ons ook bloedvervelend, want onze deskundigen zijn met ziel en zaligheid bezig om het goed te doen."

De dossiers die dit voorjaar werden stilgelegd, speelden voornamelijk aan de randen van bevingsgebieden in bijvoorbeeld Oost-Groningen en de kop van Drenthe. Jouke Schaafsma van het Instituut Mijnbouwschade Groningen legt uit dat in die gebieden deskundigen het vaakst van meningen verschillen. Grootste twistpunt is hoe groot het effect van trillingen daar nog kan zijn op woningen.

"Maar of een bureau er gemiddeld dan zo uitspringt omdat ze misschien bovenmatig veel in die randen werken, blijkt nog niet helemaal uit onze analyse. Dat laat zien dat dit nog wel vragen oproept hoe dit precies komt en hoe het te voorkomen is. Het lijkt in ieder geval te zitten in een verschil van inzicht in de mate waarop die lichte, kleine trillingen nog invloed kunnen uitoefenen op schades van huizen", zegt Schaafsma.

Nieuwe richtlijnen

Voor de zomer heeft het instituut nieuwe beoordelingskaders voor de experts opgesteld. Ook zit het schadeloket nu wekelijks om de tafel met de vier bureaus voor overleg over de problemen.

Schaafsma: "Zo kunnen we tegen de 550 deskundigen die buiten lopen zeggen: 'Als het zo en zo hard heeft getrild bij een woning, verwachten we dat je ongeveer zoiets gaat adviseren aan ons. Daar mag je van afwijken, want je bent onafhankelijk, maar we willen wel een goede motivatie zien.' Op zo'n manier, door dergelijke richtlijnen met elkaar te maken, hopen we dat het dichter bij elkaar gaat komen."

STER reclame