De Nederlandse mannenploeg heeft Oranje op het laatste onderdeel van de baanatletiek bij de Olympische Spelen aan de zevende atletiekmedaille geholpen. Liemarvin Bonevacia, Terrence Agard, Tony van Diepen en Ramsey Angela liepen in de eerste olympische finale ooit voor Nederland op de 4x400 meter naar de tweede plaats achter de Verenigde Staten.

Met 2.57,18 dook het kwartet opnieuw onder het Nederlands record, dat sinds vrijdag op 2.59,06 stond. Toen bleef Bonevacia aan de kant en was Jochem Dobber de startloper. In de finale keerde de 32-jarige kopman, die ook de eindstrijd van de 400 meter individueel haalde, terug in de ploeg. "Dit is een droom", zei de vrolijke startloper.

Nederland lag na de eerste ronde zesde. Agard voerde de formatie naar de vierde plaats. Van Diepen zorgde dat Nederland vervolgens op een podiumplaats terechtkwam. Angela maakte de sensatie compleet door kort voor de streep Botswana te passeren en historisch zilver binnen te halen.

Bonevacia, Agard, Van Diepen en Angela bezorgden Nederland een ongekend slot van het atletiektoernooi. Nooit eerder werden er zo veel medailles op de Spelen veroverd. In 1948 verliet de Nederlandse equipe Londen, waar Fanny Blankers-Koen met vier gouden plakken een onovertroffen prestatie neerzette, met zes medailles in de bagage.

Kroon op het werk

Het zilver op de 4x400 meter van het Nederlandse kwartet zette een kroon op het werk dat de afgelopen jaren op trainingscentrum Papendal is verzet. De Atletiekunie haalde de Zwitserse coach Laurent Meuwly binnen om het aanwezige talent op de 400 meter naar een nieuwe dimensie te sturen. Het contract vloeide voort uit een bezoek aan Papendal in 2018 om zijn kennis met Nederlandse coaches en atleten te delen.

De Zwitser was zo onder de indruk van de faciliteiten op het sportcentrum dat hij inging op het voorstel om er te komen werken. "Ik zag ook wat de potentie van een aantal atleten was", zei hij eerder over zijn keuze.

Nederlands feestje op de tribune en op de baan bij zilveren estafetterace mannen

In december 2018 begon hij aan zijn klus. Inmiddels lijkt het grote gat met de internationale concurrentie voor een groot deel gedicht. Dat was afgelopen maart in Polen al te zien. Daar won zowel de mannen- als de vrouwenploeg verrassend de Europese indoortitel op de 4x400 meter, toonde Femke Bol zich ongenaakbaar op de 400 meter en was er ook voor Bonevacia (brons) en Van Diepen (zilver) individueel succes. Meuwly voorspelde nog veel meer.

In Tokio kreeg hij gelijk. Wat de vrouwen in de olympische finale op de 4x400 meter niet konden, lukte de mannen wel: meedoen om de medailles. Bonevacia, Agard, Van Diepen en ten slotte Angela stegen op het juiste moment boven zichzelf uit.

Moeizame aanloop

Agard kende een moeizame aanloop dit jaar. Hij liep in januari een forse achillespeesblessure op tijdens een trainingskamp in Zuid-Afrika, terwijl er in maart ook nog een coronabesmetting volgde. Daar was in Japan niets meer van te merken: hij liep twee voortreffelijke races.

In de series finishte het kwartet in 2.59,06. Op basis van die tijd mocht de ploeg, die als vijfde was gefinisht, naar de eindstrijd. Het bleek een voorbode voor een van de grootste sensaties van het atletiektoernooi. Dansend vierden de vier hun zilver, dat ze uit handen van de Brit Sebastian Coe kregen. Die heerste in het verre verleden op de middenafstanden, maar glunderde als voorzitter van de wereldatletiekbond bij het aanreiken van de vier medailles.

STER reclame