Burgemeester Sharon Dijksma, onderzoekster Nancy Jouwe en wethouder Linda Voorman bij de presentatie van het boek ANP

De stad Utrecht was direct betrokken bij de slavenhandel en profiteerde van de opbrengsten, blijkt uit onderzoek. Verschillende lagen van de Utrechtse bevolking hebben aangezet tot, geïnvesteerd in en geld verdiend aan slavernij in Amerika, Afrika en Azië, luidt de conclusie uit het boek Slavernij en de stad Utrecht.

Vandaag is de studie gepresenteerd aan burgemeester Sharon Dijksma en wethouder Linda Voortman, die onder meer diversiteit in haar portefeuille heeft.

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Utrecht, en had tot doel de rol van de stad te onderzoeken in de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Daarnaast probeerden de onderzoekers ook te achterhalen wat de betekenis van de slavernij voor de stad en de samenleving was. Eerder lieten Rotterdam en Amsterdam ook al een dergelijk onderzoek uitvoeren. En ook Den Haag gaat het eigen slavernijverleden onderzoeken.

De handel in slaven en de op slavernij gebaseerde productieketens waren "een integraal onderdeel" van de geschiedenis van Utrecht, is een van de conclusies. Volgens de onderzoekers was de Utrechtse rol relatief klein vergeleken met een stad als Amsterdam, maar groter dan nu tot nu gedacht werd.

Utrechtse Compagnie

Utrecht speelde vooral een rol via het provinciale bestuur (de Staten van Utrecht) dat betrokken was bij de oprichting van de Utrechtse Compagnie in 1721. Het stadsbestuur stimuleerde de oprichting van de compagnie die investeerde in plantages in Suriname en de suikerhandel.

Daarnaast zaten Utrechtse bestuurders in de kamers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie in Amsterdam en Rotterdam. Hier hielden ze toezicht op de subsidies aan die handelsondernemingen. Utrechters waren ook oververtegenwoordigd in prominente koloniale functies, waarschijnlijk door de aanwezigheid van een universiteit in Utrecht en de vele Utrechtse lieden van adel.

Slavernij en koloniale exploitatie waren van groot belang voor de Utrechtse werkgelegenheid. Tot 1795 vonden 2800 Utrechters werk bij de VOC. De onderzoekers schatten dat om die reden jaarlijks bijna dertig mannen uit Utrecht naar Azië afreisden. Daarmee was de Compagnie een grote werkgever, schrijven ze.

Belle van Zuylen

De onderzoekers stellen dat de betrokkenheid van Utrecht bij de slavenhandel lang onzichtbaar is gebleven. Bestuurders en handelslieden konden in relatieve anonimiteit profiteren van de slavernij door te investeren in beleggingsfondsen en andere toen nieuwe financiële producten.

Ook de Utrechtse schrijfster Belle van Zuylen plukte er de vruchten van. Haar kapitaal was voor bijna 40 procent in koloniale compagnieën geïnvesteerd. "De koloniale winsten maakten het mogelijk om een schrijvend leven in luxe te leiden waarbij ze zich niet kritisch uitte over slavernij", schrijven de onderzoekers.

De statige huizen rondom het Janskerkhof, de Drift, Kromme Nieuwegracht en Nieuwe Gracht waren van families met intensieve koloniale banden. Ook Hendrik Swellengrebel, die ooit gouverneur van de Kaapkolonie was en nu in de Janskerk begraven ligt, is iemand die profiteerde van de koloniale handel. De families bezaten onder meer plantages en hadden flinke investeringen in het koloniale bedrijf.

Pleitbezorgers afschaffing slavernij

Uiteindelijk hebben alle grote instituties in Utrecht geprofiteerd van de slavernij. De gemeente, de katholieke kerk, musea en de universiteit waren betrokken bij de koloniale exploitatie en handel in mensen.

Tegelijkertijd was Utrecht ook een centrum van abolitionisme, zeggen de onderzoekers. Schrijvers en dichters als Petronella Moens en Nicolaas Beets pleitten in de 19e eeuw voor afschaffing van de slavernij. Dat was vaak gebaseerd op religieuze gronden en kan volgens de onderzoekers ook niet los worden gezien van Utrecht als religieus centrum, onder meer door de aanwezigheid van een theologische faculteit.

Het Utrechtse slavernijverleden laat volgens de onderzoekers goed zien hoe ook steden die zelf geen grote koloniale instituties hadden verbonden waren met de slavernij. Ze pleiten er daarom voor om ook in andere middelgrote steden een soortgelijk onderzoek op te zetten. Op die manier kan de structurele verwevenheid van Nederland met kolonialisme en slavernij goed in beeld worden gebracht, concluderen ze.

STER reclame