Een etalagepop in Duits uniform die achterbleef bij de inbraak in het Eyewitness-museum in Beek L1

Twee inbraken in Nederlandse oorlogsmusea in minder dan twee maanden tijd, en dieven die in beide gevallen aan de haal gaan met Duitse militaria. Voor andere oorlogsmusea is het genoeg reden om de beveiliging flink aan te scherpen. De vraag is wie er achter de diefstallen zitten. En wat willen ze met de nazi- en Wehrmachtspullen?

Voor directeur Erik van den Dungen van het oorlogsmuseum in Overloon is het in ieder geval duidelijk dat het niet om een eenling gaat. Hij weet hoe het Eyewitness Museum in Beek eruit zag na de inbraak. "Het was chaos", vertelt hij in het NOS Radio 1 Journaal. "Deuren waren geforceerd met grof geweld en er zijn veel auto's bij gebruikt dus waren er veel inbrekers bij betrokken. Het was een grote overval."

Ook uit het museum in Ossendrecht verdwenen veel zware voorwerpen die een enkele dader moeilijk snel alleen had kunnen meenemen, zoals vijftien etalagepoppen met Duitse uniformen. Van den Dungen vermoedt dat beide inbraken het werk zijn van dezelfde groep. "Tenzij er een andere bende is die geïnspireerd is geraakt door de eerste inbraak."

Gebroken glas na de inbraak in het oorlogsmuseum in Beek L1

Een van de musea heeft kunstdetective Arthur Brand gevraagd onderzoek te doen naar de diefstallen. Brand heeft nog geen tijd gehad om zich echt in de zaak te verdiepen, maar ook hij vermoedt dat er een internationale bende achter zit. Hij wijst nog op een inbraak in België drie jaar geleden. Uit de persoonlijke collectie van een medewerker van een oorlogsmuseum in La Gleize werden spullen ter waarde van 1,5 miljoen euro meegenomen.

De objecten die nu in Nederland zijn gestolen, zijn minstens evenveel waard, zegt Van den Dungen. "Er zitten bijvoorbeeld twee Fallschirmjäger-geweren bij, alleen die al hebben samen een verzekerde waarde van een half miljoen." Dat wil niet zeggen dat de daders dat er ook voor krijgen op de zwarte markt. "Potentiële kopers weten dat de spullen gestolen zijn, dus zullen ze er veel minder betalen. Want de kans is klein dat ze makkelijk een andere koper vinden."

Handel onder de radar

De daders zullen de gestolen wapens en uniformen waarschijnlijk niet thuis willen hebben - wat moet je met vijftien etalagepoppen? - maar echt de bedoeling hebben ze te verkopen. Op veilingsites worden wel vaker kledingstukken van Duitse militairen aangeboden.

Met wapens is het niet zo eenvoudig. Volgens Van den Dungen zijn die genummerd. "Als die aangeboden worden, waar dan ook, dan is duidelijk dat die vuurwapens afkomstig zijn uit de diefstal. Andere dingen zoals uniformen, daar is de handel wat levendiger in, dus die kun je ook wat makkelijker aanbieden op Ebay of Marktplaats."

Volgens Brand is het wel zeker dat de daders de afzetmarkt kennen. "Die handel zit vaak onder de radar. De daders weten precies wat ze willen hebben. En waarom zou je dit twee of drie keer doen als je geen markt hebt?" Hij denkt niet dat er een enkele opdrachtgever achter zit. "Die zou veel risico nemen door een groep steeds weer opdracht te geven om dit te doen. Ik denk eerder dat het jongens zijn die weten wat het waard is. Mogelijk een Oost-Europese bende."

Rare fascinaties

Maar waarom juist deze spullen uit een museum stelen? Hebben de daders nazi-sympathieën? Dat hoeft helemaal niet. Mogelijk is het ze alleen om het geld te doen. De verzamelaars die de objecten kopen of erin handelen zijn vaak wel geïnteresseerd in de oorlog, zegt Van den Dungen, maar niet zozeer in het gedachtegoed van de nazi's. "Onder alle verzamelaars zitten weleens mensen met rare fascinaties, maar het is niet zo dat je verzamelaars van Duitse militaria over één kam kunt scheren met mensen met sympathie voor het nationaal-socialisme."

De handel in Duitse oorlogsspullen, vaak met Wehrmacht-logo's en swastika's erop, is de laatste jaren wat toegenomen, stelt antifascist Arthur Graaff. Hij voert al jaren actie tegen die handel. Met medestanders houdt hij het aanbod van Duitse oorlogsspullen op Marktplaats bij en zag een lichte stijging. Het aantal beurzen waar Duitse spullen uit de oorlog wordt verhandeld, steeg volgens de antifascistische actievoerders sinds 2000 van 10 naar 29 beurzen.

Graaff zou het liefst een verbod zien op de handel. "Waarom zou je die objecten willen hebben? Je kunt SS-spullen niet mooi vinden. De enige fatsoenlijke reactie is afschuw."

Hij vindt het wel goed dat er 'neutrale' en voldoende wetenschappelijk geleide musea zijn, zoals het oorlogsmuseum in Overloon. Dat museum heeft twee zeldzame naziboeken teruggegeven aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), dat de boeken twee jaar geleden in bruikleen gaf.

Museumdirecteur Van den Dungen: "Een daarvan is een boek uit de kampadministratie van Auschwitz. Dat is zo uniek en heeft zo'n zware, immorele lading, het is te link om hier te laten liggen. Maar door het nu weg te halen bij ons, hebben we de kans om het bijvoorbeeld over een paar jaar naar het nieuwe nationaal Holocaustmuseum te krijgen."

STER reclame