David Jan Godfroid / NOS

De stokoude Lada van Vasily Goerkov hotst en botst over de zandweggetjes naar het Naliboki-natuurreservaat in Wit-Rusland, een kleine honderd kilometer ten westen van de hoofdstad Minsk. We zijn op weg naar de konikpaarden die hier in augustus vorig jaar vanuit de Oostvaardersplassen naartoe zijn gebracht. Maar eerst wil Vasily, de beheerder van het park, ons iets anders laten zien.

We bekijken ze eerst door de verrekijker, maar dan scheuren we ernaartoe: een groepje van vijf bizons in een veld waar de stronken in de grond duidelijk aantonen dat dit geen natuurgebied is. Het is een maïsveld. En dat, zegt Vasily, toont haarscherp aan waarom hij de konikpaarden zo graag naar zijn reservaat wilde halen.

Meer eten voor bizons

"De bizons gaan het reservaat uit, de akkers op", vertelt hij. "Dat levert schade op voor de boeren en de landbouwcoöperaties." Voor de bizons is er in het reservaat niet genoeg te eten, legt Vasily uit. Het gras schiet door en verdort, omdat er geen dieren zijn die ook de wortels opeten. Daardoor kan het gras niet verjongen. En bizons houden niet van oud, verdord gras.

Terug in de Lada wijst Vasily nu eens naar links, dan weer naar rechts. "Zie je dat, daar hebben ze gewerkt," roept hij steeds vol enthousiasme. Tussen het hoge bruine gras zijn kleine stukjes groen te zien, soms maar een paar vierkante meter groot. Die 'ze' zijn de konikpaarden. Die eten het gras wel met wortel en al op, waardoor er ruimte ontstaat voor nieuw gras.

'De konikpaarden zijn thuis in hun historische vaderland'

In augustus kwamen er 151 paarden aan. In september is er een veulentje geboren en dus zijn het er nu 152. In de Oostvaardersplassen was er niet genoeg te eten voor de paarden en hier stonden ze er dus om te springen.

Het ging niet zonder slag of stoot. Vasily heeft negen jaar lang moeten onderhandelen met de Wit-Russische ministeries van Natuurbeheer en Landbouw om toestemming te krijgen om de paarden te importeren. Toen die eenmaal was gegeven, was het een fluitje van een cent om tot overeenstemming te komen met Staatsbosbeheer, de beheerder van de Oostvaardersplassen.

'Onze lucht is beter'

"Het verschil met augustus is dat ze toen een beetje magerder waren. Ik denk dat ons eten en onze lucht beter voor hen is dan die in Nederland", glimlacht Vasily.

De groep heeft zich verzameld op een groot grasveld met aan de rand een voederplaats, waar de paarden hooi en haver krijgen. Eigenlijk is het niet de bedoeling dat ze worden bijgevoerd. Ze moeten op eigen kracht, dus zonder hulp van de mens zien te overleven.

Vasily kijkt een beetje betrapt als ik hem dat voorleg. Maar, zegt hij, het kan even niet anders. "We willen dat ze gewend raken aan dit gebied en deze plek. In de toekomst zullen we de hoeveelheid voedsel verminderen."

NOS / David Jan Godfroid

Hoe dan ook, de paarden zien er gezond uit. Twee jongeren rennen en steigeren over het veld. Een oudere konik rolt door het gras, de benen omhoog. Dat is ongewoon, want normaal gesproken ligt er sneeuw in deze tijd van het jaar. Nu is het ongebruikelijk warm.

De roofdieren, er leven hier een paar beren en een stuk of wat wolven, vormen geen gevaar, vertelt Vasily. Ze zijn wel in de buurt van de groep gesignaleerd, maar ze zijn met te weinig en de paarden met te veel.

Kortom, het gaat goed met de konikpaarden van de Oostvaardersplassen. Dertig merries zijn drachtig, Vasily schat dat de groep in een jaar of vijf kan uitgroeien tot 400 tot 450 dieren. "De konikpaarden zijn thuis, in hun historische vaderland", zegt hij trots. "Dat kunnen we vol vertrouwen zeggen."

STER reclame