De Israëlische oud-premier Ariel Sharon is overleden. Hij lag sinds begin 2006 in coma, nadat hij was getroffen door een hersenbloeding. Sharon maakte naam als havik, maar schokte in 2004 zijn rechtse Likud-partij met zijn besluit om het Israëlische leger en de kolonisten terug te trekken uit de Gazastrook.

Sharon was de zoon van Wit-Russische Joden die voor de pogroms in de burgeroorlog kort na de Russische revolutie van 1917 naar Palestina waren gevlucht. Al in 1942, op 14 jarige leeftijd, sloot hij zich aan bij de ondergrondse Joodse strijdkrachten die vochten voor een Joodse staat.

Sharon was een van de laatste Israëlische politici die de oprichting van de staat Israël bewust meemaakten. Hij maakte carrière in het leger en vocht in alle belangrijke oorlogen van Israël tegen de Arabische buurlanden. In de Zesdaagse Oorlog van 1967 en de Yom Kippoeroorlog van 1973 had hij de leiding over de grondtroepen die aan het zuidelijke front tegen Egypte vochten. Beide keren behaalde hij met een offensieve strategie een beslissende overwinning. Om die reden werd hij algemeen beschouwd als de grootste Israëlische militair en strateeg.

Libanon

Halverwege de jaren zeventig ging Sharon de politiek in. In 1977 werd hij voor Likud minister van Landbouw en daarna, in 1982, van Defensie. Hij zette in 1982 de omstreden invasie in Libanon op, om zo een einde te maken aan de aanvallen van de PLO.

Zonder dat met premier Begin te bespreken liet hij het leger oprukken tot in Beiroet. De PLO werd verdreven naar Tunesië, maar de invasie mondde ook uit in een bloedbad. Bijna 2000 Palestijnen in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila werden onder de ogen van het Israëlische leger, dat de kampen had omsingeld, door Libanese christenen vermoord.

Nalatigheid

Een onderzoek naar de zaak wees uit dat Sharon indirect verantwoordelijk was voor het bloedbad, voornamelijk door nalatigheid. Na massale protesten op straat moest hij zijn ministerspost opgeven.

In 1983 kreeg zijn politieke carrière een doorstart. In dat jaar werd hij minister zonder portefeuille. Vanaf 1984 bekleedde hij achtereenvolgens de posten van minister van Handel en Industrie en van Huisvesting. Tijdens dat laatste ministerschap liet hij vele huizen bouwen voor kolonisten op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook.

Intifada

Nadat de Likudpartij in de oppositie was beland, werd Sharon in 2000 gekozen tot partijleider. Het vredesoverleg met de Palestijnen was vastgelopen en de eerste zelfmoordaanslagen vonden plaats. Sharon presenteerde zich als de man die Israël veiligheid kon bieden. Hij provoceerde de Palestijnen met een bezoek aan de Tempelberg, een plaats die voor joden en moslims heilig is. Het werd de aanleiding voor de tweede Palestijnse opstand, de tweede intifadah, die veel bloediger zou worden dan de eerste in de jaren 1980.

In 2001 werd Sharon premier nadat hij de verkiezingen met gemak had gewonnen. Als premier reageerde hij keihard op de Palestijnse opstand. Tientallen Palestijnse leiders werden geliquideerd en honderden burgers werden gedood. Sharon zag de Palestijnse leider Arafat als de motor achter de Palestijnse terreur. Hij liet Arafats hoofdkwartier beschieten en noemde hem een moordenaar. Arafat kon zijn hoofdkwartier in Ramallah niet uit, en zou het pas tijdens zijn stervensproces in 2004 verlaten. Met toestemming van Sharon werd hij overgebracht naar een militair ziekenhuis bij Parijs, waar hij twee weken later overleed.

Om een eind te maken aan de Palestijnse zelfmoordaanslagen in Israëlische steden besloot Sharon tot een drastische maatregel: hij begon met de bouw van een afscheiding op de Westelijke Jordaanoever, waardoor de Palestijnse gebieden fysiek werden gescheiden van de staat Israël. De barrière, deels muur, deels hek, stond op bezet gebied en werd internationaal veroordeeld, maar Sharon trok zich daar niets van aan.

Terugtrekking Gazastrook

Eind 2003 kondigde Sharon een verrassende koerswisseling aan: hij stemde in met een vredesplan van de VS en de EU, waarbij hij zich committeerde aan de vorming van een onafhankelijke Palestijnse staat en aan eenzijdige Israëlische terugtrekking uit de Gazastrook. De joodse nederzettingen daar moesten worden ontruimd. De kolonisten reageerden ontzet.

Sharon erkende dat de ontruiming pijn deed, maar vond de nederzettingen in de Gazastrook onhoudbaar. De veiligheid van Israël ging voor. Er zijn te veel Palestijnen in de Gazastrook, zonder toekomst, met veel haat tegenover Israël, zo redeneerde hij.

Ondanks fel verzet vanuit zijn eigen Likudpartij, onder wie zijn rivaal Benjamin Netanyahu, zette hij door. In augustus 2005 liet hij 21 nederzettingen in de Gazastrook en vier op de Westelijke Jordaanoever ontruimen. Bijna 10.000 kolonisten moesten vertrekken; hun huizen werden met bulldozers platgewalst. Kort daarna verliet ook het Israëlische leger de Gazastrook.

Coma

Na de terugtrekking uit de Gazastrook brak Sharon met de Likud-partij. Hij vormde een nieuwe, gematigde, partij: Kadima, en schreef verkiezingen uit. De overwinning van zijn nieuwe partij bij de verkiezingen van maart 2006 maakte hij niet meer mee.

Sharon kampte al sinds de jaren 80 met zwaarlijvigheid, hoge bloeddruk en een hoog cholestorolgehalte - een gevolg van zijn onstilbare vraatzucht. Op 18 december 2005 werd hij getroffen door een hersenbloeding. Op 4 januari 2006 kreeg hij een tweede, veel zwaardere hersenbloeding, en raakte in een diepe coma.

In april werd hij officieel uit zijn premierschap ontheven en een maand later werd hij vanuit Jeruzalem overgebracht naar een kliniek in Tel Aviv.

Sinds 2010 werd Sharon thuis verzorgd. Hij zou nooit meer uit zijn coma ontwaken.

STER reclame