Misbruikzaken tegen rooms-katholieke geestelijken werden vaak milder afgedaan dan bij andere verdachten. Dat zegt een commissie die het optreden van het Openbaar Ministerie bij seksueel misbruik in de jaren 1945-1980 heeft onderzocht.

Volgens de onderzoekers is het OM in het algemeen niet in gebreke gebleven bij de aanpak van misbruikzaken binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Er zijn geen aanwijzingen dat er afspraken tussen de kerk en het OM bestonden over de afhandeling van zaken.

Overleg

Maar wel is gebleken dat er in de praktijk overleg was tussen het OM en de kerkelijke leiding, zegt de commissie. Volgens de onderzoekers werden misbruikzaken tegen geestelijken vaker dan bij niet-geestelijken gunstig afgehandeld. De commissie denkt dat de verschillen er niet zozeer mee te maken hebben dat de verdachte geestelijke was, maar dat ze te verklaren zijn uit zijn positie op de maatschappelijke ladder.

De commissie heeft enkele geruchtmakende zaken grondig geanalyseerd. Volgens de onderzoekers is in een enkel geval een genomen beslissing van het OM achteraf niet te begrijpen.

Minister Opstelten is blij dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor beleid over een milde afdoening van zedenzaken tegen geestelijken. Maar hij spreekt ook van feitelijke rechtsongelijkheid in de jaren 50 en 60, waardoor slachtoffers zich miskend kunnen voelen. Hij benadrukt het belang van een uniform vervolgingsbeleid bij misbruikzaken.

STER reclame