14 procent van de huishoudens gaat er de komende jaren 5 tot 10 procent in koopkracht op achteruit, 3 procent levert meer dan 10 procent in. Dat staat in berekeningen die minister Asscher van Sociale Zaken naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Asscher zelf relativeert het belang van de cijfers.

Schijnprecisie

De minister spreekt van schijnprecisie. Volgens hem is het ongebruikelijk bij het begin van het kabinet de koopkracht voor de hele periode te presenteren, omdat de koopkrachtontwikkeling gevoelig is voor de economische ontwikkelingen, en daardoor erg onzeker.

De oppositie had om de cijfers gevraagd, omdat er veel verwarring is over de koopkracht. Volgens de tabellen gaat een alleenverdiener met kinderen, die zo'n 66.000 euro verdient er 6,25 procent op achteruit. Een alleenstaande ouder met het minimumloon krijgt er volgens die tabellen juist 6,75 procent bij.

Onvermijdelijk

Asscher benadrukt dat uitschieters en ongewenste effecten zoveel mogelijk worden beperkt en dat alle voornemens nog moet worden uitgewerkt. Negatieve koopkrachteffecten noemt hij onvermijdelijk. Hij voegt er wel aan toe dat de uitgangspunten uit het regeerakkoord overeind blijven. Die gaan uit van gemiddelde effecten op de koopkracht van - 4 procent tot + 0,5 procent.

Het kabinet ziet er niets in het Nibud nog eens naar de koopkracht te laten kijken. Volgens Asscher voegt dat niets toe.

STER reclame