Weggestopt tussen schaamgordels

Aangepast

Door redacteur Lambert Teuwissen

Het was verzet in het hol van de leeuw. Terwijl er honderden leden van de Duitse Ordnungpolizei in hun gebouw waren ondergebracht, boden de medewerkers van het Koloniaal Instituut in Amsterdam op grote of kleine schaal weerstand tegen de bezetter. Denise Frank deed voor haar boek 'Cultuur onder vuur' voor het eerst onderzoek naar de oorlogsjaren van het huidige Tropeninstituut.

In het gebouw aan de Mauritskade in Amsterdam werden ontvangers verstopt om clandestien naar Radio Oranje te luisteren, werden wapens bewaard om aanvallen op de Duitsers uit te voeren en werden zelfs korte tijd onderduikers gehuisvest. Wat hielp, was dat het gebouw zelf wel ontworpen leek voor verzetswerk. "Het gebouw is heel complex", legt Frank uit. "Je hebt allerlei gangetjes. Je kunt via de zolders heel ver komen en datzelfde geldt voor onder de grond. Het is ingewikkelde architectuur en als je er de weg goed kent, dan kun je zo lopen dat je niet wordt gezien."

Verboden terrein

De bijzondere situatie begon in oktober 1940, toen de Duitse bezetter een plek zocht om ruim 300 agenten van de Grüne Polizei onder te brengen. Er werd even gestoeid met de gedachte het Rijks- of Stedelijk Museum over te nemen, maar de keuze viel uiteindelijk op het enorme gebouw van het Koloniaal Instituut, ooit het grootste gebouw in Amsterdam.

Hoewel het museum gewoon openbleef, namen de Duitsers grote delen van het gebouw over. Kantoren werden slaapkamers en de Bestuurskamer werd een eetzaal. Ook de hoofdingang en prestigieuze Marmeren Hal waren voortaan verboden terrein voor de medewerkers van het instituut.

Dat de banden met de koloniën waren verbroken door de bezetting, hoefde voor het instituut geen probleem te zijn, meenden de nazi's. Spoedig zou men zich nuttig kunnen maken in andere koloniën. "Ze hadden plannen om het instituut in te schakelen voor de nieuwe koloniale orde in Oost-Europa en Afrika", zegt Frank. "Het instituut zou diensten kunnen leveren, dankzij de kennis en ervaring die was opgedaan. Er kwam niks van terecht: "De medewerkers zaten er niet om te springen en uiteindelijk kwam er ook niet zo veel van."

Tortuur en kogel

Het verzet ging verder dan het weigeren mee te werken aan de Duitse bezetting van andere gebieden. "Verschillende mensen van het instituut zaten op de een of andere manier in het verzet. Zo werd met de drukpers van het instituut gezorgd voor het maken van illegale bladen. Best veel mensen moeten ervan geweten hebben."

Op meerdere plekken in het gebouw waren radio's verstopt om naar berichten uit Londen te kunnen luisteren: in de kelder, onder een zoldervloer en zelfs in grote Javaanse beelden midden in het museum. "Op een halve meter afstand passeerden Duitse hoogwaardigheidsbekleders en NSB autoriteiten", schreef conservator Tichelman met veel plezier. "Paperassen waarop tortuur, kogel en galg stonden, werden weggemoffeld tussen de schaamgordels van boomschors en Timorweefsels."

Kleinzoon Colijn

Tichelman maakte het ook mogelijk dat er onderduikers in het instituut verbleven. Hendrik Colijn bijvoorbeeld, kleinzoon van de premier, die er onder de valse naam Molijn zogenaamd aan een studieopdracht werkte. "In werkelijkheid ging het om militant verzetswerk", weet Frank. "Hij deed aan wapensmokkel en verborg de wapens soms in het instituut, voordat ze verspreid werden."

Slechts een keer was er een inval in het instituut. In augustus 1944 viel de Nederlandse Landwacht het gebouw binnen en vond radio's, wapens en pamfletten. "Iedereen was ervan overtuigd dat het verraad was: ze gingen direct naar de zolder en vonden er illegaal spul. Wie het verklapt had, is nooit duidelijk geworden." Colijn, die op dat moment in het gebouw was, kon ontsnappen door het labyrint van gangen.

Blootgelegd

Kort daarna sloot het museum voor de rest van de oorlog haar deuren. Na Dolle Dinsdag werd het door de Duitsers te gevaarlijk geacht een gebouw te delen met Nederlandse burgers en namen ze het hele gebouw over. Pas op 12 mei het volgende jaar zouden de laatste Duitsers het pand verlaten, in Canadese krijgsgevangenschap.

Sporen van die roerige jaren zijn er nauwelijks nog te vinden in het gebouw. "Er is heel veel gerenoveerd en weggeschilderd", weet Frank. "Maar in de Kaartenzaal is tijdens een restauratie een stukje Duitse tekst blootgelegd. Het was geschilderd op een muur, zo'n tekst die de moraal hoog moest houden. Je kan geen hele zinnen ontcijferen, maar dat is een van de weinige sporen van de bezetting."

Denise Frank - Cultuur onder vuur - KIT Publishers - ISBN: 9789460221941

STER Reclame