In Limburg gevonden vuursteen die gebruikt werd door neanderthalers ANP

Dat Prometheus het vuur stal van de goden, zoals de Griekse mythe verhaalt, is onwaarschijnlijk. Maar hoe en wanneer de eerste mens dan precies leerde om vuur te maken, daarover tast de wetenschap nog in het duister. Leidse wetenschappers hebben nu wel een hypothese over de periode daarna: hoe het gebruik van vuur zich vervolgens over de wereld verspreidde.

Volgens het onderzoek, gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS, nam het gebruik van vuur door mensachtigen tussen 400.000 en 350.000 jaar geleden opmerkelijk snel toe - op een archeologische tijdschaal bekeken. Een analyse van vindplaatsen van vuursporen suggereert dat dat op allerlei plekken op de wereld gebeurde.

Dat is de voornaamste reden dat de onderzoekers denken dat de vaardigheid van vuur maken is doorgegeven via sociale interacties tussen groepen vroege menssoorten. Als hun hypothese klopt, is het volgens de onderzoekers het oudste voorbeeld van zogenoemde culturele diffusie.

Onderlinge tolerantie

Culturele diffusie is zeker niet uniek. Maar het wordt vaak als eigenschap van de moderne mens - homo sapiens - gezien dat verschillende culturen innovaties en gebruiken van elkaar overnemen. De Leidse onderzoekers denken dat hun bevindingen aantonen dat het culturele gedrag van mensachtigen als neanderthalers, homo erectus en de Denisovamens dichter bij homo sapiens lag dan bij de apen waar ze van afstammen. Ook vroege menssoorten bewogen zich in complexe sociale netwerken, ontmoetten elkaar met regelmaat en waren tolerant genoeg om vaardigheden van elkaar over te nemen, zeggen de onderzoekers.

Er zijn meerdere manieren waarop innovaties zich verspreiden. Verschillende volkeren namen landbouwvaardigheden ook van elkaar over. Maar waar landbouw op meerdere plekken op de wereld onafhankelijk van elkaar werd 'uitgevonden', is het maar de vraag of dat ook geldt voor vuur.

Als vuur ook op meerdere plekken zonder onderlinge interactie ontdekt zou zijn, zou er waarschijnlijk geen plotselinge toename van vuurgebruik in dezelfde periode zijn geweest, beredeneren de onderzoekers. Dan zou er veel meer tijd overheen zijn gegaan. Tenzij er een wereldwijde externe omstandigheid was waardoor vuur voor allerlei groepen mensachtigen tegelijkertijd nut gehad zou hebben, zoals een verandering in klimaat. Maar volgens de onderzoekers is zo'n omstandigheid niet aan te wijzen.

Migratie en voortplanting

Ook andere hypotheses zijn onwaarschijnlijk, zeggen de onderzoekers. In theorie is het mogelijk dat vuur niet via culturele interacties, maar via migratie van een groep werd meegenomen naar een andere plek.

Genetische overdracht is een andere theoretische mogelijkheid. Als de vaardigheid om vuur te maken een grotere overlevingskans geeft, zullen individuen met de juiste genen voor vuur maken die genen doorgeven aan volgende generaties. Door voortplanting met een individu uit een andere groep, kunnen die genen zich vervolgens verspreiden over meerdere groepen.

Maar volgens de onderzoekers zouden zowel de verspreiding via migratie als via genen veel meer tijd in beslag hebben genomen. Daarbij komt dat het gebruik van vuur in genetisch hele verschillende groepen mensachtigen is waargenomen. Dat maakt culturele diffusie volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk, al is hard bewijs daarvoor lastig te vinden: de datering van een vindplaats van vuur heeft een nauwkeurigheid van 10.000 jaar.

Er moet ook nog ergens anders rekening mee worden gehouden, oppert Stephen Pyne, experts in de geschiedenis van vuur, in gesprek met New Scientist. Vuur heeft zich misschien wel van de ene groep naar de andere verspreid, maar minder vredelievend dan het Leidse onderzoek suggereert: "Ik vermoed dat vuur zich vooral van de ene naar de andere stam verspreidde doordat het werd gestolen of buitgemaakt." Zat er in mensachtigen wellicht toch iets van Prometheus.

STER reclame