Philip Hogeweij heeft met zijn vrouw Alien en hun kinderen een gezinshuis NOS
NOS Nieuws Binnenland

Steeds meer kinderen in gezinshuizen, maar 'een groot hart is niet genoeg'

Uit huis geplaatste kinderen komen steeds vaker terecht bij gezinshuizen, een kleinschalige en gezinsgerichte vorm van jeugdhulp. Deze vorm van hulp is beter voor kinderen dan grote instellingen. Volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kunnen gezinshuizen een voorbeeld zijn voor andere vormen van kleinschalige jeugdhulp, want "alleen een groot hart en goede bedoelingen zijn niet genoeg".

In een grote jeugdzorginstelling wonen kinderen in een leefgroep met zo'n twaalf kinderen en worden ze begeleid door verschillende hulpverleners. In een gezinshuis worden kinderen begeleid door twee ouders die 24 uur per dag verantwoordelijk zijn voor opvoeding, ondersteuning en zorg.

Complexe problemen

Kinderen in gezinshuizen hebben vaak complexe problemen. Ze hebben bijvoorbeeld autisme, een licht verstandelijke beperking of hechtingsproblematiek. Gezinshuisouders zijn in principe professionals die hiermee om kunnen gaan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld pleegouders.

Net als reguliere jeugdzorginstellingen worden gezinshuizen bekostigd door de gemeente. Er zijn bijna duizend gezinshuizen die onderdak bieden aan meer dan 3000 jongeren.

De meeste zelfstandige gezinshuizen zijn aangesloten bij een franchiseorganisatie of werken samen met grote zorgaanbieders. Daarnaast zijn er ook vrijgevestigde gezinshuizen.

Philip en Alien Hogeweij hebben een gezinshuis en vingen tot nu toe al zeven kinderen op:

'Je ziet dat gezinshuis effect heeft op jongeren'

Volgens lector residentiële jeugdzorg Peer van der Helm neemt het wetenschappelijk bewijs toe dat een kleinschalige aanpak beter is voor kinderen. "Gezinshuizen bieden continuïteit en stabiliteit. Kinderen hebben vaste grond onder de voeten en ze hebben niet continu met nieuwe mensen te maken."

Om deze reden wordt er sinds de invoering van de Jeugdwet in 2015 steeds meer ingezet op kleinschaligheid. Het aantal gezinshuizen is sinds 2014 met bijna 60 procent gestegen.

Volgens Rob de Munck, directeur van brancheorganisatie Gezinshuis.com, gaat het over het algemeen goed, maar niet altijd. "We zien dat jongeren met heel complexe problematiek soms in gezinshuizen geplaatst worden, maar dat gaat niet zorgvuldig genoeg. Gezinshuisouders kunnen dit niet altijd aan en hebben intensieve ondersteuning nodig."

Daarnaast kan in principe iedereen een gezinshuis beginnen. "Er lijken steeds meer vrijgevestigde gezinshuizen te zijn, maar daar heeft niemand zicht op omdat er geen centrale registratie is", zegt De Munck.

Professionaliseren

Om de sector te professionaliseren is vorige maand afgesproken dat gezinshuisouders een pedagogische opleiding moeten hebben gevolgd of in ieder geval kunnen aantonen dat ze de juiste competenties hebben. Ook hebben ze maximaal zes kinderen in huis, zijn ze open en transparant en werken ze samen met een multidisciplinair team van hulpverleners.

Verder moet het contact met de biologische ouders gestimuleerd worden en moeten kinderen toegang hebben tot een onafhankelijk vertrouwenspersoon van het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg.

Kwaliteitscriteria niet bindend

De inspectie is blij met deze afspraken en noemt het een belangrijke eerste stap. Maar er moet volgens de inspectie meer gebeuren, want de kwaliteitscriteria zijn niet bindend en gelden nog alleen voor gezinshuizen, en dus niet voor andere kleinschalige voorzieningen zoals zorgboerderijen.

Volgens de inspectie is het van belang dat de gemeenten bij het contracteren de kwaliteitscriteria stellen, zodat ze bindend worden. Ook De Munck hoopt dat gemeentes de criteria gaan omarmen. Dat zou volgend jaar moeten gebeuren, als er nieuwe contracten worden gesloten tussen jeugdzorginstellingen en gemeentes.

STER reclame