Overlevende van beruchte kindertransporten bij herdenking kamp Vught

Aangepast
Staatssecretaris Blokhuis (links) tijdens de herdenking van de kindertransporten van juni 1943 ANP
Geschreven door
Mirjam van Elburg
redacteur NOS Evenementen

Bijna 1300 namen van Joodse kinderen staan er op het herdenkingsmonument in Nationaal Monument Kamp Vught. Deze kinderen moesten 75 jaar geleden, op 6 en 7 juni 1943, vanuit kamp Vught mee met de beruchte kindertransporten.

De Duitsers deden het voorkomen alsof ze naar een speciaal kinderkamp werden gebracht. In werkelijkheid gingen de kinderen en hun ouders via kamp Westerbork naar vernietigingskamp Sobibor, waar ze direct na aankomst werden vermoord. Enkelen kwamen terecht in Auschwitz, waar hen hetzelfde lot wachtte.

Simon Wijnbergen

Ook de naam van Simon Wijnbergen staat op het gedenkteken. Samen met zijn moeder en broertje moest hij als 3-jarig jongetje mee met het kindertransport naar Westerbork.

Pas sinds kort is bekend dat hij op wonderbaarlijke wijze ontkwam aan het wrede lot van de kinderen uit kamp Vught. Vandaag was hij bij de herdenking van de kindertransporten in Nationaal Monument Kamp Vught.

Vanavond om 22.35 uur op NPO 2 en NOS.nl is een terugblik te zien op de herdenking. Daarin ook portretten en interviews, met onder meer Simon Wijnbergen. Presentatie: Winfried Baijens.

Simon Wijnbergen was destijds bij aankomst in Westerbork zo ziek, dat werd besloten dat hij naar een ziekenhuis in Groningen moest. Zijn moeder vertelde dat in een brief aan een vriendin in Bussum, die contacten had bij het verzet.

Via dit contact lukte het Simon ongezien het ziekenhuis uit te smokkelen. Hij werd meegenomen naar een onderduikadres in Limburg. Een maand later werd in Westerbork een aantekening gemaakt dat hij was overleden. Na de oorlog werd op basis van die gegevens aangenomen dat Simon was omgekomen.

Zoektocht

Remco Dietz, een amateur-genealoog uit Utrecht, deed onderzoek naar de kinderen van het kindertransport. Hij kwam erachter dat de gegevens van Wijnbergen niet toegankelijk waren in het Stadsarchief Amsterdam, wat normaal gesproken wel zo is als iemand is overleden.

Na een zoektocht ontdekte Dietz vorig jaar dat Simon Wijnbergen nog in leven is en sinds 1961 in Israël woont. Zijn ouders en broertje kwamen tijdens de oorlog om in Auschwitz.

In deze video krijgen enkele van de omgekomen kinderen een gezicht:

Deze browser wordt niet ondersteund voor het spelen van video. Update uw browser naar Internet Explorer 10 of hoger om video af te kunnen spelen.

Wie waren de kinderen die mee moesten met het kindertransport uit Vught?

De Joodse kinderen hadden het zwaar in kamp Vught. De Duitse SS-leiding had in februari 1943 besloten dat alle kinderen tussen 4 en 16 jaar gescheiden moesten worden van hun ouders. Jongens en meisjes werden in aparte barakken opgevangen, maar er waren niet genoeg mensen om alle kinderen te verzorgen en ze bezig te houden.

In de barakken heersten besmettelijke ziekten, er was gebrek aan voedsel, de hygiëne was slecht en er was altijd lawaai. De kinderen waren bang voor de strenge bewakers en misten hun ouders, die ze alleen in het weekend kort mochten zien.

Het schooltje waar de kinderen les kregen en wat afleiding vonden, werd al snel weer gebruikt om een nieuwe groep gevangenen te huisvesten.

Kamp Vught werd begin 1943 in gebruik genomen en stond volledig onder beheer van de SS, die naast het kamp een kazerne had. In totaal zijn er ruim 31.000 mensen geïnterneerd geweest. Naast 12.000 Joden, die in een apart gedeelte waren ondergebracht, zaten er onder meer politieke gevangenen, verzetsstrijders, criminelen, zwarthandelaren, homoseksuelen, Jehova's getuigen, Roma en Sinti in het kamp.

De gevangenen moesten werken voor de Duitse bezetter, onder meer in de werkplaats van Philips. Een deel van de Joodse gevangenen ging vanuit Vught op transport naar de vernietigingskampen. Na Dolle Dinsdag, op 5 september 1944, werd het kamp in allerijl door de Duitsers ontruimd.

Eind april 1943 raakte het kindergedeelte in kamp Vught overvol. De chaos die dat veroorzaakte, was de Duitse SS-leiding van het kamp een doorn in het oog. Op 5 juni 1943 werd bekendgemaakt dat alle kinderen het kamp moesten verlaten. De volgende dag al de kinderen van 0 tot 3 jaar met hun moeders en een dag later de kinderen van 4 tot 16 jaar met een van beide ouders.

Dat bericht veroorzaakte paniek en ontzetting in kamp Vught. Veel vaders konden niet eens afscheid nemen omdat ze te werk waren gesteld buiten het kamp. Kinderen vanaf 16 jaar bleven vaak alleen achter.

Poëziealbum

Ook de 13-jarige Alida Lopes Dias uit Amsterdam moest samen met haar moeder en zusje mee met het kindertransport. Haar oudere zus Gretha bleef in Vught achter. Zij rende achter Alie, zoals ze haar zusje noemde, aan.

"De herdershonden hapten in mijn benen. Gegild heb ik. Maar ik heb Alie nog gedag kunnen zeggen. Ik knoopte haar rode manteltje dicht. En toen ging ze samen met moeder in een veewagen met honderden andere kinderen. Ik heb haar nooit meer teruggezien", vertelde Gretha na de oorlog.

Gretha vond later het poëziealbum van haar zusje, dat ze op haar twaalfde verjaardag had gekregen. Schrijfster Claudia Carli kreeg het album na het overlijden van Gretha in 2011 in bezit. Carli zocht uit wat er met de achttien Joodse vriendinnetjes die in het album schreven, is gebeurd. Slechts vier van hen hebben de oorlog overleefd.

De NOS sprak met Coby Spaan, een goede vriendin van Alie. Zij woont nog altijd tegenover het huis waar het gezien Lopes Dias woonde:

Deze browser wordt niet ondersteund voor het spelen van video. Update uw browser naar Internet Explorer 10 of hoger om video af te kunnen spelen.

'Van sommige meisjes is dit versje het enige wat is er nog is'

STER Reclame