Opsplitsen, boetes of samenwerken? Nederland worstelt met techgiganten

Aangepast
AFP
Geschreven door
Nando Kasteleijn
redacteur Tech

De spanning tussen techbedrijven en de politiek wordt steeds groter: in plaats van dat ze worden gezien als grote innovatiebronnen draait het meer om hun macht. Ook de Nederlandse politiek is zoekende.

Vandaag waren er gesprekken met commerciële omroepen, hoogleraren, toezichthouders, een belangenorganisatie én met Facebook en Google zelf om daarover na te denken. Waarbij opviel dat lang niet alle politieke partijen een afvaardiging hadden gestuurd.

Wel of geen monopolist?

De wrijving tussen tech en politiek was voor het eerst merkbaar toen de gesprekken al twee uur bezig waren. Het woord is aan de Amerikaanse techgiganten. D66-Kamerlid Jan Paternotte heeft aan beide gevraagd op welke gebied ze monopolist zijn. Hun repliek: "We zijn geen monopolist, want er zijn concurrenten."

Dat klopt. Er zijn alternatieve zoekmachines en sociale netwerken. Maar die zijn kleiner, soms veel kleiner, en bedienen vaak een beperkte markt. Paternotte probeert het nog met cijfers waaruit blijkt dat Google op de Nederlandse zoekmachinemarkt verreweg de belangrijkste speler is.

Maar het antwoord van de techbedrijven verandert niet. Daarmee wordt ook hun verdedigingslinie duidelijk, die ze vaker inzetten: we zijn niet de enige op deze markt, er ís concurrentie die onze plek kan innemen. Maar dat is theorie, de praktijk is weerbarstiger.

De dominantie van Facebook in beeld: niet alleen de blauwe is van het bedrijf, maar ook Messenger en Instagram EPA

Facebook merkt daarnaast op dat het gebruik van de site kleine en grotere Nederlandse bedrijven veel succes heeft gebracht. KLM en Heineken worden daarbij als voorbeeld genoemd. Google vult aan dat er in Nederland voor start-ups genoeg groeiruimte is, dus die dominantie valt wel mee, aldus de zoekgigant.

Uiteraard werden er ook vragen gesteld over de dataverzameling van Google en Facebook. Hoe groot is die, wat weten jullie over mij, vroeg CDA-Kamerlid Joda van den Berg. Het antwoord van Facebook en Google kwam opnieuw redelijk overeen: wij weten helemaal niet zoveel over gebruikers.

Bedreigd in bestaan

Als een bedrijf met nieuwe technologie een markt, in dit geval de advertentiemarkt, opschudt heeft dat gevolgen voor de concurrentie. Dat was ook te merken aan de boodschap van de commerciële radio- en tv-omroepen. Die tekenden aan dat Facebook en Google 70 tot 80 procent van het advertentiegeld hebben opgeslokt. Ze voelen zich bedreigd in hun bestaan.

Hun oproep aan de politiek was: of jullie techbedrijven meer regels opleggen of het voor ons mogelijk maken om meer te adverteren maakt ons niet uit, als er maar iets gebeurt.

Commerciele omroepen zoals RTL voelen zich, onder meer door de advertentiemacht van Facebook en Google, bedreigd in hun bestaanANP

Maar wat dan? Dat blijft onduidelijk. Moet je ingrijpen door bedrijven als Google en Amazon op te splitsen, moet je hoge boetes uitdelen - zoals de Europese Commissie al doet - of moet er (meer) worden ingezet op samenwerking met Nederlandse bedrijven?

En dan wordt weer duidelijk hoe complex dit onderwerp is. Twee hoogleraren, van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Leiden, de een gespecialiseerd in economisch recht en de ander in mededingingsrecht, zijn het er niet over eens of het Mededingingsrecht (concurrentie tussen partijen) van toepassing is. De Autoriteit Consument en Markt de (ACM) zei verder dat de ontwikkelingen scherp in de gaten worden gehouden, maar dat er op dit moment geen aanleiding is om in te grijpen.

Helpen nieuwe regels dan? Ook dat is niet het geval, zeiden de deskundigen. Allereerst moet je die regels op Europees niveau implementeren en daarnaast kost het invoeren van nieuwe regelgeving jaren. Tegen die tijd is de technologie alweer compleet veranderd.

Er moet iets gebeuren

Daarmee kwam er uit de zitting niet per se een duidelijk beeld, behalve dan dat er iets moet gebeuren en dat de boel weer op scherp is gezet. Het gevoel is dat er langzaam wat verandert.

Niet alleen in Nederland, maar ook in de Europese Unie en in de VS. Waar dat toe leidt, dat weet nog niemand. Overigens was de ruimte voor vragen vrij beperkt. Tijd om echt kritisch door te vragen en daarmee dieper op de materie in te gaan was er praktisch niet.