Harmen Boerboom / NOS

'Stefano Ajintoena' staat er op het naamplaatje. "Mijn neefje; hij was drie jaar oud." André Ajintoena loopt verder door het hoge gras. "Voor de herdenking, dinsdag, wordt het nog gemaaid." André's blik is koel en staat op oneindig. Hij stopt bij de volgende ijzeren zuil die onderdeel uitmaakt van het herdenkingsmonument van het bosnegerdorpje Moiwana. Alle slachtoffers hebben een eigen sculptuur met daarop hun naam. 'Celita Ajintoena', lees ik. "Dit is voor mijn nichtje."

Dyugudyugu

André Ajintoena verloor op 29 november 1986 vijftien familieleden. Hij was die dag in Moiwana, een dorp met ruim honderd inwoners aan de hoofdweg naar Oost-Suriname. 

"Het was rond drie uur in de middag. We hoorden vanuit beide richtingen geweervuur. We hadden geen idee wat er aan de hand was. We woonden hier rustig, zonder dyugudyugu (gedoe), dus we vreesden niets. Maar de militairen van het Nationaal Leger kwamen schietend het dorp binnen."

"Er was paniek. Mensen riepen: 'niet schieten, niet schieten!' Ik vluchtte samen met een aantal anderen het bos in. We zagen tussen de bomen door hoe het dorp in brand werd geschoten en we hoorden hoe onze dorpsgenoten en familieleden werden doodgeschoten. Zwangere vrouwen, kinderen, baby's... 39 slachtoffers in totaal."

Junglecommando

Het bloedbad van Moiwana, vandaag precies 30 jaar geleden, is waarschijnlijk de meest gruwelijke oorlogsdaad uit de Binnenlandse Oorlog in Suriname. Ronnie Brunswijk, oud-lijfwacht van de toenmalige legerleider en couppleger Desi Bouterse, was de gewapende strijd eerder dat jaar begonnen. 

Onder de noemer 'ontwikkeling van het binnenland' en 'herstel van de democratie' verwierf hij met zijn Junglecommando steun bij een belangrijk deel van de binnenlandbevolking en ook, in stilte, in het buitenland. Vanuit Frans-Guyana werden voedsel en wapens aangevoerd voor zijn manschappen. Wat hij nog meer nodig had plunderde hij, als oorlogsbelasting, bij elkaar in de binnenlandse dorpen.

Raciale strijd

Het militaire regime van Bouterse in Paramaribo maakte jacht op Brunswijk. De officiële reden voor de aanval op Moiwana van het militair gezag was dat de rebellenleider zich in het dorp verscholen hield. "Dat is niet waar", zegt André Ajintoena. "Wij waren niet voor of tegen het Junglecommando. En ook niet voor of tegen het leger. De militairen hebben ons ook niet gevraagd of we wisten waar Brunswijk was. Ze begonnen meteen te schieten." 

Waarom dan toch deze bloedige aanval vanuit het niets? Volgens Ajintoena was de binnenlandse oorlog voor veel militairen een raciale strijd. "Ze zochten Ronnie Brunswijk. Hij is een boslandcreool en wij ook. Het was een wraakactie." Ex-militairen van het Nationaal Leger die aan het bloedbad meededen, beweren dat de bewoners van Moiwana zijn begonnen met schieten. André Ajintoena lacht schamper. "Waarom zouden zwangere vrouwen en baby's dat doen? Wat ze zeggen is niet waar."

Frans-Guyana

Twee dagen lang trokken Ajintoena en zijn dorpsgenoten door het bos. Vrouwen die lichtkleurige kleding droegen kleedden zich uit om te voorkomen dat ze vanuit de helikopters van het leger ontdekt werden.

Na twee dagen bereikte de groep een dorpje aan de grensrivier Marowijne. Van daaruit staken ze over naar het buurland Frans-Guyana. In totaal vluchtten in die tijd duizenden binnenlandbewoners naar het Franse departement, waar ze werden opgevangen in inderhaast opgezette kampen.

Juridisch onderzoek

Na de Binnenlandse Oorlog zijn er door nabestaanden en mensenrechtenactivisten tal van pogingen gedaan om het bloedbad in Moiwana voor de rechter te krijgen. Een onderzoek door de Surinaamse regering stopte nadat de politieman die ermee belast was op straat werd neergeschoten. 

In 2004 vonniste het Inter-Amerikaanse Hof voor Rechten van de Mens dat het onderzoek moest doorgaan en dat de bewoners een schadevergoeding moesten krijgen. De toenmalige president Venetiaan, fel tegenstander van Bouterse, bood namens de regering excuses aan en zorgde voor een financiële tegemoetkoming. 

Ook werd het dorp gedeeltelijk herbouwd en kwam er een herdenkingsteken. Maar tot een gedegen juridisch onderzoek is het tot op de dag van vandaag niet gekomen. Laat staan tot berechting van de schuldigen.

Vergeven

"Dit monument is belangrijk voor ons", vertelt André Ajintoena. "Ieder jaar op 29 november brengen we een plengoffer en houden we toespraken om de herinnering aan de slachtoffers levend te houden."

Ook dit jaar is er een herdenkingsdienst. "We hebben de minister van Justitie en de minister van Regionale Ontwikkeling uitgenodigd. We gaan opnieuw aandringen op een onderzoek. En we gaan ze vragen om op zijn minst de stoffelijke overschotten die in de jaren 90 zijn meegenomen voor onderzoek terug te brengen zodat we ze volgens onze eigen traditie waardig kunnen begraven."

"Volgens onze traditie moeten we kunnen vergeven. Dat willen we graag, maar een excuus van president Bouterse zou ons daarbij enorm helpen." 

STER reclame