Station Utrecht Centraal tijdens de oorlog. De Joodse kinderen gingen onder begeleiding van studenten per trein naar hun onderduikadres. Het Utrechts Archief

Zo'n 350 Joodse kinderen blijven tijdens de oorlog uit handen van de nazi's, dankzij de inspanningen van het Utrechts Kindercomité. Studenten uit Utrecht brengen de kinderen onder bij gezinnen waar ze veilig zijn.

Het begint in de zomer van 1942 als een Utrechtse studente in Amsterdam getuige is van een razzia op straat. Ze vindt vier Joodse peuters, die alleen zijn achtergebleven. De studente neemt ze mee naar Utrecht, waar medestudent Jan Meulenbelt de vier kinderen veilig onderbrengt. Samen met andere studenten start hij het Utrechts Kindercomité.

De onderduikkinderen van Utrecht

"Ze zijn vanaf het begin gemotiveerd door een enorme boosheid. Boosheid over de deportaties, boosheid over dat mensen uit hun huis werden gehaald, boosheid dat er kinderen bij betrokken waren", vertelt Bert Jan Flim, historicus en kenner van de Joodse onderduik.

Ik voelde me weggedaan. Dat klinkt heel dramatisch, maar zo voelde ik me wel.

Merlyn Frank, onderduikkind tijdens de oorlog

Nederland is bezet. Het dragen van een Jodenster wordt ingevoerd en er volgen steeds meer verboden. "We hadden een oproep gekregen dat we ons klaar moesten maken voor vertrek naar een kamp in Drenthe, dat kamp bleek Westerbork te zijn", vertelt Merlyn Frank. Ze kon met de hulp van het Utrechts Kindercomité onderduiken. 

"Er kwam een grote, grijze bak van de gemeentereiniging voorrijden. Die was al behoorlijk vol toen wij er nog bij moesten. Er zaten allemaal mensen met sterren in. Mijn moeder droeg de baby en ik had mijn eigen koffertje."

"Er verschenen twee mensen en ik snapte er helemaal niks van, maar mijn moeder wel. Want zij stond al met de baby op de arm", herinnert Merlyn Frank zich. "Een mevrouw rukte de baby uit mijn moeders armen en een meneer tilde mij. Het was secondewerk."

Merlyn Frank zoekt haar oude huis op.

"Ik voelde me weggedaan. Dat klinkt heel dramatisch, maar zo voelde ik me wel", vertelt Frank.

Ze komt terecht in de Hooft Graaflandstraat in Utrecht. "Daar hadden we een foute buurman, een NSB'er. Hij had een kip. Die liep wel eens door onze tuin. Toen wij een keer heel erg honger hadden heeft mijn onderduikvader die kip gegrepen en de nek omgedraaid. En die kip van die foute NSB'er smaakte lekker!"

Nare herinneringen

Ook de 8-jarige Frits Pront wordt door studenten naar een onderduikadres in Utrecht gebracht. "Ik realiseerde me helemaal niet dat ik Joods was", vertelt hij. "Tot een vriendinnetje op een dag tegen mij zei dat ze van haar vader niet meer met mij mocht spelen. Het is iets waar ik nog steeds last van heb: het gevoel er niet bij te horen."

Frits Pront heeft nare herinneringen aan zijn onderduiktijd. "Aan de man vooral, dat heette dan je onderduikvader, maar dat is gewoon niet uit te spreken, het tweede deel van dat woord. Ik ben er echt mishandeld. Geestelijk en lichamelijk."

De razzia's en het gevaar nemen toe. Het belangrijkste contactadres van het Utrechtse Kindercomité wordt verraden en kort daarop ook het comité zelf.

Op 5 mei 1945 is Nederland bevrijd. Voor de onderduikkinderen begint dan het wachten op hun ouders. De ouders van Merlyn zijn in 1943 vermoord in Sobibor, de ouders van Frits in datzelfde jaar in Auschwitz. "Ik ben altijd blijven zoeken", vertelt Frits Pront. "Je blijft heel lang hopen", voegt Merlyn Frank toe.

Frits Pront en Merlyn Frank in gesprek

STER reclame