Moordenaars begraven lijk vaak dicht bij plek des onheils

In 2010 vond de politie in Geleen drie babylijkjes in de achtertuin van een vrouw ANP

Moordenaars die hun slachtoffer begraven, doen dat vaak dicht bij de plek waar ze hebben toegeslagen. Dat concludeert het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) na onderzoek naar clandestiene graven, meldt het politievakblad Blauw

Bijna 60 procent van de slachtoffers van moord of doodslag ligt binnen een straal van tien kilometer rond de plek waar ze voor het laatst zijn gezien. Bijna de helft (47 procent) ligt zelfs niet verder dan vijf kilometer van de vermissingsplek. 

Een op de vijf slachtoffers werd op maximaal 20 meter afstand begraven, vaak in de tuin van de dader of het slachtoffer. Het gaat hierbij vaak om moord of doodslag op een partner, ex-partner, of een ander familielid.

Beschut gebied

In het criminele milieu worden de lichamen van de slachtoffers iets vaker verder weggebracht met de auto en op een beschutte plek begraven. Overigens hebben de meeste daders een voorkeur voor afgeschermde gebieden als bossen, duinen en groenstroken. 

Vaak kiezen daders een plek die ze al kennen, omdat ze er vroeger hebben gespeeld, gewandeld of gevist, blijkt uit het onderzoek. Ze begraven hun slachtoffer doorgaans ondiep, zo'n 70 centimeter onder de grond. Dat gebeurt meestal in zandgrond, en zelden in zware kleigrond. 

Toeval

Het NFI graaft gemiddeld drie keer per jaar een slachtoffer op uit een clandestien graf. Dat gebeurt vaak nadat het lichaam bij toeval is gevonden, of op aanwijzingen van de recherche.  

De onderzoekers hopen met hun bevindingen patronen in het gedrag van daders te hebben achterhaald, waar de politie profijt van kan hebben bij onderzoek in moordzaken. 

STER Reclame