ANP
NOS Voetbal

Heerenveen hielp in oorlog Amsterdamse voetballertjes

Het contrast was groot. In het voorjaar van 1944 was het olympisch stadion het decor van een Amsterdams voetbalfeest. Voor het eerst in z’n bestaan was De Volewijckers kampioen van Nederland geworden. De 4-1 overwinning op Heerenveen zorgde voor grote vreugde. Of zoals het cluborgaan meldde: "Het wonder is geschied en de duizenden op de tribunes brengen de kranige kerels die dit stukje leverden een daverende ovatie."

Hoe anders was het in september van dat jaar. Het leven in Amsterdam lag stil. Geen gas, geen stroom, geen eten. Twee jonge voetballetjes groeiden in die omstandigheden op: Jan Hobby (dertien jaar, DWS) en Rob Been (veertien jaar, Ajax). Been: "Het was erbarmelijk. Er was geen eten meer. Er waren gaarkeukens. En dan kreeg je tulpenbollensoep. Het was een dagelijkse strijd om wat binnen te krijgen."

Pan uitkrabben

De tieners waren ondervoed. Hobby: "Je had wel honger. En als er wat te eten was, mochten mijn broer, zus en ik om de beurt de pan uitkrabben voor het laatste restje. Je moest eten." De helpende hand kwam uit Friesland. Daar was wel voldoende eten, maar door de spoorwegstaking kon dat het westen van Nederland niet bereiken.

Voetbalclub Heerenveen, zich bewust van de malaise in de hoofdstad, schreef vier Amsterdamse clubs aan. Ajax, DWS, De Volewijckers en Blauw Wit kregen ieder het aanbod om vijftien jeugdspelers naar Friesland te sturen, waar zij de rest van de oorlog bij een pleeggezin konden doorbrengen. Jan Hobby kreeg bezoek van het bestuur van DWS. "Ze zeiden: jij bent uitgekozen, jij mag naar Heerenveen. Dat was een bewuste keuze. Mijn vertoning gaf wel aan dat ik er slecht aan toe was."

Loting

Ajax liet een loting beslissen welke spelers aan de Amsterdamse ellende konden ontkomen. Rob Been kwam aanvankelijk niet in aanmerking. Met zijn veertien jaar was hij te oud. Zijn broer behoorde wel tot de gelukkigen. Maar in Friesland kampte hij met zoveel heimwee dat Rob mocht komen om zijn broer te ondersteunen.

De reis naar Heerenveen was een spannende onderneming. De boot, die de kinderen over het IJsselmeer van Amsterdam naar Lemmer moest varen, begaf zich in een soort niemandsland. Het water was nog van de Duitsers, in de lucht waren de Engelsen de baas.

Been: "Dat was toch wel hachelijk. Maar na een hele nacht varen, kwamen we in Lemmer aan." Het contrast tussen het Friese en het Amsterdamse leven werd de voetballertjes meteen duidelijk. De overvloed aan voedsel maakte Jan Hobby letterlijk ziek. "Ze hebben me echt als een baby moeten opvoeden. Lepeltje pap, stoppen, nog een lepeltje. Pas toen kon ik het eten weer verwerken."

'Bleekneusjes'

Tot de bevrijding genoten de Amsterdamse ‘bleekneusjes’, zoals ze wel werden genoemd, een relatief onbezorgde tijd in Friesland. Ze waren veel op straat te vinden, waar ze voetbalden, soms begeleid door Abe Lenstra. Na de oorlog keerden ze terug naar Amsterdam. Maar contact met de pleegfamilie hebben Been en Hobby allebei gehouden.

Been: "De humaniteit is me altijd bijgebleven. Ik geef het je te doen dat je als gezin ineens zo’n Amsterdams jongetje binnenkrijgt. We zijn eeuwig dankbaar aan de mensen in Heerenveen."

Deel artikel:

Advertentie via Ster.nl