Beeld uit 2019 van de plek waar de bom insloeg in Hawija NOS

Het leed en de schade als gevolg van het Nederlandse bombardement op een autobommenfabriek van IS in de Iraakse stad Hawija, in 2015 zijn groter dan tot nu toe bekend. Dat concluderen onderzoekers van de Universiteit Utrecht, vredesorganisatie PAX en de Iraakse hulporganisatie Al-Ghad na interviews met 119 slachtoffers, gesprekken met 40 lokale sleutelfiguren, focusgroepdiscussies en bezoeken aan Hawija.

Slachtoffers die met de onderzoekers spraken, willen een officieel excuus van de Nederlandse regering voor het bombardement en voldoende compensatie, ook individueel, om de kosten te dragen die voortvloeien uit de luchtaanval. Dat dit uitblijft, draagt volgens de onderzoekers bij aan een antiwesters sentiment, wat een voedingsbodem zou kunnen zijn voor een volgende terreurorganisatie.

Nederlandse F16's bombardeerden zeven jaar geleden een bommenfabriek van IS in Hawija. Uit onderzoek door de NOS en NRC kwam eerder naar voren dat daarbij zeker 70 burgers om het leven zijn gekomen en ruim 400 gebouwen beschadigd of verwoest werden. De schade was dus nog groter, stellen de onderzoekers nu.

Op grond van het nieuwe onderzoek concluderen de drie organisaties dat meer dan 85 burgers de dood hebben gevonden bij de aanval en dat honderden ernstige verwondingen hebben opgelopen. Ook werd er schade gerapporteerd aan maar liefst 1200 bedrijven en winkels en 6000 huizen.

Bekijk hier de reportage die Lex Runderkamp in 2019 maakte in Hawija:

Dit is de plek waar de Nederlandse F-16-bom viel

Verder wijzen de onderzoekers erop dat terreurbeweging IS na de aanval nog twee jaar aan de macht is geweest, waardoor mensen in Hawija weinig tot geen toegang hadden tot medische hulp, schoon water en elektriciteit. Ook konden ze nauwelijks vluchten.

Dat heeft geleid tot langdurige effecten, zoals trauma's, handicaps, economische schade door het wegvallen van de kostwinnaar, ontheemding, een toename van kinderarbeid en slechte toegang tot scholing, is een conclusie van het onderzoek.

Nederland heeft tot nu 4,4 miljoen euro toegezegd ter compensatie, bedoeld voor de wederopbouw, maar dat heeft tot dusver niet geleid tot concrete actie. Individuele compensatieregelingen wil Nederland niet treffen. Mede daardoor voelen de meeste geïnterviewden zich volgens de onderzoekers in de steek gelaten door Den Haag.

In reactie op Kamervragen van de SP schrijft minister van Defensie Ollongren vandaag dat ze zich, net als haar voorganger, realiseert dat het uitblijven van een individuele vergoeding "een moeilijke boodschap is" voor slachtoffers en nabestaanden. Desondanks blijven de overwegingen om niet tot individuele schadevergoedingen over te gaan nog altijd gelden.

Burgerleed beperkt

De onderzoekers van de Universiteit Utrecht, PAX en Al-Ghad bevelen onder meer aan dat het kabinet afgevaardigden naar Hawija stuurt om uitleg te geven aan de bevolking en excuses over te brengen. Daarnaast is erkenning van de schade van individuele burgers van belang, net als de vergoeding daarvan.

Er is nog weinig terechtgekomen van de beloofde schadevergoeding aan Hawija, zei de burgemeester van de stad tegen de NOS december vorig jaar:

Burgemeester van door Nederlandse bommen getroffen Hawija: 'We zijn teleurgesteld'

Verder pleiten ze ervoor dat de zogeheten Artikel 100-procedure wordt aangepast. Die procedure omvat een brief die het kabinet naar de Tweede Kamer kan sturen, waarin staat dat de krijgsmacht wordt ingezet voor de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde, zoals in Irak is gebeurd.

Ze willen dat daaraan wordt toegevoegd dat in conflicten het burgerleed wordt beperkt en gemonitord, dat daarover wordt gerapporteerd en dat daarover verantwoording wordt afgelegd aan het parlement.

Rol burgerslachtoffers

Naar aanleiding van Hawija beloofde Ollongrens voorganger, Bijleveld, al te gaan praten met organisaties om het beleid omtrent transparantie over burgerslachtoffers te herzien. Ollongren schrijft nu in haar Kamerbrief dat ze van plan is om burgerslachtoffers een prominentere rol te geven in de evaluatie van missies.

Ook schrijft Ollongren dat het kabinet vooraf aan een missie gaat beschrijven welke afwegingen worden gemaakt, ook juridisch, over het risico op burgerslachtoffers door Nederlandse militaire inzet. Daarbij zal het ook gaan over degene die namens Nederland op basis van inlichtingen beslissingen neemt over aanvallen, de zogeheten Red Card Holder, en de informatiepositie die Nederland heeft binnen een militaire samenwerking.

Sinds vorig jaar wordt de luchtaanval in Hawija onderzocht door de commissie-Sorgdrager. Het rapport over dat onderzoek wordt voor de zomer verwacht.

STER reclame