Italiaans voetbal in verval

Aangepast

Met de uitschakeling van AC Milan tegen Atletico Madrid heeft voor het eerst sinds het seizoen 2008/2009 geen enkele Italiaanse club zich geplaatst voor de kwartfinales van de Champions League. Het trotse Italiaanse clubvoetbal, in het verleden goed voor twaalf zeges in de Europa Cup 1 en Champions League, is in verval geraakt.

Toonaangevend zijn AC Milan, Napoli, Juventus en Internazionale, dat in 2010 als laatste Italiaanse club de Champions League won, al lang niet meer. Maar geen enkele club bij de laatste acht: dat doet pijn in het voetbalgekke Italië.

En het dieptepunt is nog lang niet bereikt, zeggen journalist Emile Schelvis en de Italiaans-Nederlandse zaakwaarnemer Mino Raiola, die het Italiaanse voetbal nauwgezet volgen.

Gepolitiseerd

Raiola maakt zich al jaren zorgen over het niveau van het Italiaanse voetbal en moet nu toezien hoe Italiaanse clubs het in Europa steeds vaker moeten afleggen tegen ploegen uit Engeland, Duitsland, Spanje en Frankrijk. "Voetbal is een weerspiegeling van de samenleving, en dat geldt al helemaal voor Italië", oordeelt Raiola.

"Het Italiaanse voetbal is zo gepolitiseerd dat clubs niet mee kunnen met de moderne tijd. Als clubs een nieuw stadion willen bouwen, zijn er zoveel politici die zich daar mee bemoeien dat de bouw nooit van de grond komt. Er is nooit geld. De infrastructuur in Italië moet verbeterd worden, de jeugd moet op een andere manier opgeleid worden: pas dan kan je weer terugkomen aan de top. Maar dat zie ik niet in een paar jaar gebeuren."

Betonklompen

De verouderde stadions zorgen voor dalende inkomsten bij de Italiaanse topclubs. De faciliteiten in stadions als San Siro (AC Milan en Internazionale) en San Paolo (Napoli) zijn zo gedateerd dat mensen besluiten wedstrijden vooral thuis op tv te gaan kijken. Het gevolg: veel lege stoeltjes.

"Als je San Siro in de jaren '80 vergelijkt met het stadion van vandaag, is het vrijwel gelijk gebleven", verwondert journalist Emile Schelvis zich. "Dat kan niet als je mee wil in de top. Italiaanse voetbalbestuurders hebben heel lang gedacht dat het kapitaal vooral op het veld moest staan, bij de spelers. Maar nu merken ze dat die oude betonklompen niet echt uitnodigen om naar voetbal te gaan kijken."

Het Italiaanse voetbal zit volgens Raiola en Schelvis in een vicieuze cirkel. De geldproblemen van de eigenaren van de clubs zorgen ervoor dat belangrijke spelers verkocht moeten worden. Daardoor wordt het gat met de wereldtop groter en willen topspelers niet meer in de Serie A spelen. "In de jaren 80 had je clashes, tussen Van Basten en Maradona", herinnert Schelvis zich. "Dat bestaat nu niet meer."

Lichtpuntjes

Toch zijn er lichtpuntjes. Juventus heeft de weg naar boven gevonden sinds het in 2011 verhuisde naar het nieuwe Juventus Stadium en met de Italiaanse nationale ploeg gaat het onder leiding van Cesare Prandelli nog altijd goed. Twee jaar geleden speelden de Italianen de finale van het EK voetbal, die verloren ging tegen Spanje.

"Aan het Italiaanse nationale team kunnen wij een voorbeeld nemen", zegt Schelvis. "Italianen zijn altijd een team, laat dat maar aan hen over. Wat er ook gebeurt: ze kunnen terugvallen op het collectief." En volgens Schelvis loopt er ook voldoende talent rond in de jeugdopleidingen van de grote clubs. "De Italiaanse school is zeker niet dood en dat zal ook nooit gebeuren. Maar de clubs moeten wel gaan accepteren dat ze niet meer tot de absolute top behoren."

STER Reclame