In 1962 begon Mandela's periode op Robbeneiland, een strengbewaakte gevangenis op een eilandje 7 kilometer uit de kust van Kaapstad. Aanvankelijk zat Mandela er voor het uitzitten van een straf van 5 jaar, maar dit werd tijdens het Rivonia-proces van 1964 omgezet in levenslang.

Het leven op Robbeneiland was zwaar, zeker tijdens de eerste jaren. Mandela's cel was klein, koud en kaal en hij moest zware lichamelijke arbeid verrichten. Het contact met de buitenwereld was minimaal; Mandela mocht één brief schrijven en ontvangen per half jaar, en mocht per jaar maar één familielid zien gedurende dertig minuten. Alle correspondentie werd zwaar gecensureerd en met bezoekers mocht alleen over familiezaken worden gesproken.

Na de dood van zijn moeder en oudste zoon (in 1968 en 1969) kreeg Mandela geen toestemming de begrafenissen bij te wonen. Politieke gevangenen en criminelen werden op Robbeneiland strikt gescheiden gehouden en er werd streng op toegezien dat de gevangenen geen nieuws uit de buitenwereld vernamen.

Protest

Vanaf zijn eerste dag op Robbeneiland protesteerde Mandela tegen het brute regime van de blanke bewakers. Zo weigerde hij te accepteren dat de zwarte gevangenen in korte broek moesten lopen en werd er bij het stenen bikken op de binnenplaats opzettelijk traag gewerkt.

Door de gevangenen te organiseren en consequent te protesteren tegen al het onrecht dat hem en zijn medegevangenen werd aangedaan, wist Mandela te bereiken dat de omstandigheden op Robbeneiland langzaam maar zeker wat beter werden. Zo mochten de politieke gevangenen onder bepaalde voorwaarden een studie volgen.

Het bewind van de bewakers bleef echter streng, en Mandela bracht dan ook geregeld enkele dagen door in de isoleercel voor kleine vergrijpen als het lezen van een krant. Herhaaldelijk gingen de gevangenen in hongerstaking om hun eisen voor betere omstandigheden kracht bij te zetten.

Ondertussen op het vasteland

Tijdens Mandela's gevangenschap in de jaren zestig groeide in Zuid-Afrika de druk van het apartheidsregime van de Nationale Partij. Het verzet tegen de overheid was verstomd en de schaarse oppositie werd met steeds hardere hand bestreden; zo werden in 1969 Mandela's vrouw Winnie en 22 anderen opgepakt wegens een poging het ANC nieuw leven in te blazen.

Zo stil als het verzet in de jaren zestig was geweest, zo roerig waren de jaren zeventig. Studenten gingen massaal de straat op en legden banden met oud ANC-leden en ondergrondse ANC-activisten. Een studentenprotest in Soweto tegen het onderwijssysteem ? met Afrikaans als door de overheid verplichte voertaal - verspreidde zich langzaam over het land, waarbij het MK (de gewapende voorzetting van het ANC) er heel wat nieuwe leden bij kreeg. Politie en overheid bestreden de opstand met harde hand, waarbij honderden doden vielen.

Ook de eerste helft van de jaren tachtig werd gekenmerkt door een sterke groei van protest, massa-opstanden en een betere organisatie van het verzet. De nieuwe president P.W. Botha bleek dezelfde harde koers te willen varen als zijn voorgangers en probeerde de oppositie met harde hand de kop in te drukken. Steeds vaker raakten activisten en agenten slaags en halverwege 1985 werd in grote delen van het land de noodtoestand uitgeroepen. In 1986 werd de noodtoestand uitgebreid tot heel Zuid-Afrika; een situatie die tot 1990 zou duren.

Campagne voor vrijlating

ANC-kopstuk Oliver Tambo begon in 1980 een campagne om zijn vriend Mandela vrij te krijgen. Tijdens bezoeken aan een groot aantal landen en prominente leiders wist hij veel regeringen en actiegroepen te bewegen om de vrijlating van Mandela te eisen.

De stroom van protesten en petities betekenden een steeds groter wordende politieke druk op het apartheidsregime, dat gedurende de jaren tachtig ook de gevolgen van economische boycots begon te voelen: vrijwel alle grote Amerikaanse en Europese bedrijven trokken zich terug uit Zuid-Afrika.

Manifestaties zoals het grote popconcert dat in 1988 werd gehouden in het Wembley-stadion, zorgden ervoor dat ook het grote publiek betrokken raakte bij het protest. In Zuid-Afrika zelf werd de kerk, en vooral bisschop Desmond Tutu, een drijvende kracht achter de anti-apartheidsbeweging.

Onderhandelingen

Na 18 jaar gevangenschap op Robbeneiland werd Mandela in 1982 overgebracht naar de Pollsmoor-gevangenis op het vasteland bij Kaapstad. President Botha bood hem in 1985 vrijheid aan als Mandela openlijk het gebruik van geweld zou veroordelen. Mandela weigerde; slechts vrije mensen kunnen onderhandelen, meende hij.

In het geheim gingen de besprekingen tussen Mandela en de regering door. Binnen het ANC leverde dit individuele overleg Mandela nogal wat kritiek op; boze tongen beweerden dat Mandela na zijn lange gevangenschap zijn idealen overboord zou willen gooien in ruil voor vrijlating.

Hervormer

In 1988 werd Mandela overgebracht naar de Victor Verster-gevangenis bij Paarl, waar hij een privéverblijf kreeg met zwembad en tuin, dat aanzienlijk aangenamer was dan zijn cel op Robbeneiland. De besprekingen met de regering werden hier voortgezet, maar kwamen pas echt tot resultaat nadat president Botha werd opgevolgd door F.W. de Klerk.

De Klerk ontpopte zich als hervormer. Kort na zijn aantreden werd een groot aantal politieke gevangenen vrijgelaten en werd begonnen met de afbraak van de apartheidsstructuren in Zuid-Afrika. Eind 1989 begonnen De Klerk en Mandela een reeks gesprekken die grote gevolgen zouden hebben.

STER reclame