We hebben de belangrijkste campagnethema's voor de Bondsdagverkiezingen op 22 september op een rijtje gezet. Een van de thema's is het minimumloon.

Hoewel het economisch goed gaat met Duitsland, kampt het land met toenemende armoede. Nooit eerder hadden zo veel Duitsers een tweede baan: er zijn in totaal 2,66 miljoen zogenoemde 'mini-jobbers'. Een mini-job is een deeltijdbaan met een salaris van maximaal 450 euro per maand, zonder pensioenopbouw of ziektekostenverzekering.

Duitsland kent geen aow. Mensen die tijdens hun werkzame leven te weinig premie betaald hebben, bijvoorbeeld omdat ze te weinig verdienden, komen daardoor na hun pensioen tekort. In grote steden als Berlijn lopen dagelijks oudere mensen over straat om statieflessen in te zamelen, om zo een extraatje te verdienen.

Veel pensioengerechtigden hebben op hoge leeftijd nog een baan, omdat ze anders niet rondkomen. Alleen al in München zijn er 15.000 van zulke ouderen. Sociale organisaties schatten dat 1 op de 5 gepensioneerden moet werken om niet onder de armoedegrens te zakken.

Meer sociale zekerheid

De oppositiepartijen willen de groeiende armoede bestrijden door de sociale zekerheid beter te regelen, zoals met een wettelijke pensioenregeling. Ook wil de oppositie een wettelijk minimumloon invoeren, iets wat Duitsland als één van de weinige Europese landen niet kent. De SPD en de Groenen pleiten voor een minimum uurloon van 8,50 euro, Die Linke voor 10 euro per uur. Volgens de Groenen leidt een minimumloon uiteindelijk ook tot een minimumpensioen.

Maar de coalitiepartijen CDU en de FDP voelen niets voor een loongrens. Zij zien liever dat werkgeversorganisaties en vakbonden onderling loonafspraken maken, zoals nu al vaak gebeurt. Belangrijk tegenargument van de coalitie is dat een wettelijk minimumloon in veel sectoren banen kan kosten, aangezien werkgevers dan hogere kosten moeten maken. Ook is de liberale FDP bang dat als de politiek de lonen bepaalt, de concurrentie afneemt.

STER reclame