De journalist Igor Cornelissen (85) is onverwacht overleden. Hij was bekend als journalist van Vrij Nederland en als schrijver van boeken over zichzelf en over andere kleurrijke mensen met een Joodse en links-revolutionaire achtergrond.

Hij was een typische veelschrijver met een soepele pen. Tot zijn laatste dag bleef hij schrijven en publiceren. De historicus en boekenrecensent Wim Berkelaar twittert dat een fenomeen is heengegaan.

Cornelissen werd in 1935 geboren in Zwolle als zoon van een Joodse moeder en een christelijke vader.

Door zijn Joodse grootvader Izak Os raakte hij geïnteresseerd in de Joodse traditie en de socialistische beweging, waar een groot deel van zijn werk over ging. "Dat oude mannetje vertelde mij dat hij anarchist was geweest. En ook dat hij met een revolver had geoefend hier net buiten Zwolle voor de komende revolutie. Dat moet omstreeks 1888 zijn geweest. Wat drijft een koopman om geheel tegen de wil van zijn familie met een revolver te gaan oefenen?"

Grote indruk maakte ook dat zijn opa in 1943 werd opgepakt. "Op weg naar Westerbork en vandaar naar Sobibor. 'Vrijheid!', riep hij met gebalde vuist naar de omstanders toen hij werd afgevoerd."

Cornelissens moeder bleef gespaard, omdat zij met een niet-Joodse man was getrouwd, die kort na de oorlog overleed.

In 1956 begon Cornelissens journalistieke carrière, toen hij in Deventer regiocorrespondent werd van het PvdA-dagblad Het Vrije Volk. Twee jaar later ging hij naar Amsterdam om politieke en sociale wetenschappen te studeren. Daar kwam hij in het linkse studentenmilieu terecht.

Via de socialistische studentenbeweging Politeia kwam hij uit bij het trotskisme, een alternatieve stroming binnen het communisme, die de ideeën volgde van de in opdracht van Stalin vermoorde Leon Trotski.

Hij werd lid van 'het politiek bureau van de Nederlandse sectie van de Vierde Internationale', in feite een kleine sekte. Zijn studie gaf hij op en hij werd weer journalist, dit keer bij Vrij Nederland, jarenlang het journalistieke walhalla van links Nederland.

Alcoholdoordesemde optredens

Hij maakte tal van reizen naar Oost-Europa, en las en tikte zich suf. Daardoor ging hij inzien dat het trotskisme en ook het socialisme als geheel tot niets goed konden leiden. Na het neerslaan van de Praagse Lente in 1968 verloor hij zijn geloof in het socialisme, al duurde het nog tot 1971 voordat hij met het trotskisme brak.

Hij zei dat hij tot het inzicht was gekomen dat het met de Sovjet-Unie onder Trotski niet beter gelopen was. Goed, Trotski was Joods en intellectueel geweest, maar ook net zo meedogenloos als Stalin.

Achteraf vond hij dat hij nooit echt bij de trotskisten had gehoord. "Men vond mij te bohemien. Ik kwam in cafés en bezat vriendinnen." Ook zouden zijn kameraden hem gewantrouwd hebben omdat hij trompet speelde in een jazzcombo, waarmee hij jarenlang "alcoholdoordesemde optredens" verzorgde.

Jazz bleef zijn leven lang een van zijn passies. Van popmuziek moest hij niets hebben: "Dat is paardendievenmuziek. Een gruwel en erger dan ontucht."

Randfiguren

Na zijn breuk met het trotskisme bleef hij in linkse en Joodse randfiguren geïnteresseerd. Bij elkaar schreef hij twintig boeken, waaronder biografieën over de stalinistische CPN-leider Paul de Groot, de Joodse historicus en dichter Jaap Meijer (de vader van Ischa Meijer) en de revolutionair-socialistische verzetsstrijder en zwarthandelaar Joop Zwart.

Hij keerde terug naar Zwolle, waar hij de laatste 45 jaar van zijn leven in het huis van zijn moeder zou wonen en vrijwel dagelijks naar het café ging om jenever te drinken en pijp te roken.

In 1983 publiceerde hij het eerste deel van zijn herinneringen, Van Zwolle tot Brest-Litowsk, waarin hij nauwgezet zijn leven tot 1962 reconstrueerde. Hij maakte daarbij gebruik van het reusachtige knipselarchief dat hij had aangelegd.

Afrekening

In 1998, een jaar nadat hij na 35 jaar bij Vrij Nederland was vertrokken, volgde het tweede deel Raamgracht 4, over zijn beginjaren bij Vrij Nederland. Het stond vol vrolijke anekdotes, over een leven vol vrouwen en drank, maar was ook een bittere afrekening met het journalistieke wespennest dat het weekblad was geweest. Hij keerde zich vooral tegen hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse en diens opvolger Joop van Tijn, die jarenlang was beschouwd als de beste journalist van Nederland.

Na zijn vertrek bij Vrij Nederland had hij nog een aantal jaren een column in Het Parool. Daarna leidde hij een min of meer teruggetrokken bestaan in Zwolle, waar hij "als ongelovige jood" toch af en toe naar de synagoge ging, als dat nodig was om als tiende man, de minje, aanwezig te zijn, zodat de gebedsdienst kon doorgaan.

Pruimenjenever

Nog op hoge leeftijd ging hij elke avond naar het café. Twee jaar geleden viel hij van zijn fiets na een avondje vol pruimenjenever. Hij besloot daarna niet meer te fietsen en het cafébezoek terug te brengen tot drie keer per week.

Tijdens de lockdown was hij volledig aan huis gebonden. Hij vond dat geen probleem. "Thuis smaakt de oude klare net zo goed. En ik heb me prima vermaakt met mijn Hongaarse en Bulgaarse postzegelcollectie", zei hij in augustus vorig jaar tegen De Stentor na de publicatie van het vijfde deel van zijn memoires, Mijn opa rookte een pijp.

Hij zei dat het gezien zijn leeftijd het laatste deel zou blijven, maar kondigde aan dat hij wel zou blijven schrijven. Hij hield woord, tot zijn laatste dag bleef hij publiceren. Gisteren zette hij nog een verhaal over zijn ervaringen met de Provo-beweging op Twitter.

STER reclame