Speelgoed ANP

Kinderen die niet weten hoe ze moeten spelen, kinderen die geen Nederlands begrijpen of die niet weten hoe ze met andere kinderen moeten omgaan.

Vandaag blijkt uit onderzoek van het Centraal Planbureau dat de sociaaleconomische achtergrond van de ouders meer zegt over het schoolsucces van een kind dan een eventuele migratieachtergrond. Kinderen van ouders met een laag inkomen kunnen op 3-jarige leeftijd al een achterstand hebben.

Marloes Ebels werkt twintig jaar als pedagogisch medewerkster in de Rotterdamse Afrikaanderwijk en ze herkent de voorbeelden. In het gebouw van de plaatselijke basisschool geeft ze twee keer per dag een groep van zestien peuters les.

"We zien het gebeuren dat een kind niet weet hoe een puzzel of een doos Duplo werkt. Dat is geen goed teken. Kinderen weten niet wat ze ermee moeten doen. Dan zien we ze stilzitten en weten we voldoende."

Een huis zonder speelgoed

In Rotterdam ging Ebels in het verleden regelmatig op huisbezoek. Zo leerde ze de omgeving kennen waarin de kinderen opgroeiden. "Dan kwamen we binnen en zagen we een opgeruimd huis zonder speelgoed. Ouders weten dan niet hoe ze met hun kind moeten spelen."

Volgens hoogleraar pedagogiek Paul Leseman van de Universiteit Utrecht zijn de leerachterstanden een bekend probleem in het onderwijs. Hij ziet veel ongelijkheid tussen kinderen aan het einde van de basisschool. "Dit heeft heel erg te maken met de stimulering die de kinderen thuis ervaren. Daarbij spelen ook sociale problemen een rol. Denk aan spanningen in het gezin of een te klein huis."

Als voorbeeld noemt hij een bekend Amerikaans onderzoek: 'The 30 million word gap'. Volgens dat onderzoek horen kinderen van hoogopgeleide ouders in de eerste vier jaar van hun leven 45 miljoen woorden. Kinderen van laagopgeleide ouders horen slechts 13 miljoen woorden. "Als je veel woorden hoort, leer je ze beter dan wanneer je ze niet hoort. Dit verrijkt je taal en de grammatica."

Marloes Ebels met op de achtergrond haar lege klas Marloes Ebels

Om de problemen aan te pakken, bieden veel gemeenten voorschoolse educatie. Zo ook in Rotterdam. Ouders die zich aanmelden komen dan bij Ebels of haar collega's terecht. "We proberen ze te leren om met andere kinderen te spelen, zichzelf te uiten of motorische vaardigheden zoals rennen en springen. Maar we besteden ook aandacht aan taal of tellen", vertelt ze. "We zien dat kinderen bij hun vertrek een kleinere achterstand hebben dan toen ze aankwamen. Ze leren een hoop."

Je kind blijven stimuleren

Volgens hoogleraar Leseman kan deze voorschoolse educatie veel helpen bij het oplossen van de achterstanden. Hij pleit ervoor dat kinderen al vroeg verplicht naar de opvang gaan. "Dat is belangrijk voor hun sociale vaardigheden en taalontwikkeling. Twee tot drie dagen per week zou mooi zijn."

Maar ook het basisonderwijs moet verbeterd worden, zegt hij. "Als je concludeert dat de verschillen vanaf groep 3 niet meer afnemen, betekent dit dat scholen niet voldoende doen." Volgens Leseman heeft dat te maken met schoolsegregatie en bijvoorbeeld de keuze van groepen. Zo worden kinderen met een achterstand bij kinderen met hetzelfde niveau geplaatst, waardoor ze niet van andere kinderen kunnen leren.

Ook de ouders moeten aan de slag, vindt zowel Leseman als Ebels. Ouders moeten meer ondersteuning krijgen in de eerste jaren van hun kinderen.

Daarom krijgen in Rotterdam niet alleen kinderen les. Om ouders te leren hoe ze hun kinderen kunnen stimuleren in het leerproces organiseert Ebels twee keer per week ouder-en-kind-trainingen. Ze leert ouders hoe ze tegen hun kind moeten praten of met elkaar kunnen spelen. "Je moet als ouder je kind blijven stimuleren."

STER reclame