10 jaar en zonder ouders in een Jappenkamp: ‘Ik was altijd bang’

tijd van publicatie
Geschreven door
Annelies Hoelen
redacteur NOS Evenementen

Precies 74 jaar geleden kwam er een einde aan de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, waarmee ook officieel een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden. Vandaag worden de slachtoffers herdacht bij het Indisch Monument in Den Haag.

"Ik was altijd bang", zegt Paul Huizen (89), één van de oorlogsslachtoffers. Als Nederlander, dus voor de Japanners afkomstig uit een vijandelijk land, werd hij gedwongen in de zogeheten Jappenkampen te leven.

Hij kwam samen met zijn moeder, broertjes en zusje in een kamp terecht. Van zijn vader waren ze al direct gescheiden; de mannen werden immers in aparte kampen zonder hun vrouwen en kinderen gestationeerd.

In de ogen van de Japanners was je als 10-jarige jongen al volwassen. Dan werd je overgebracht naar een jongens of- mannenkamp, waar je niemand kende en het ieder voor zich was.

Twee jongens- inmiddels natuurlijk mannen op leeftijd - vertellen hoe dit voor hen was, terwijl ze het monument 'Jongenskampen' in Arnhem bezoeken:

Deze browser wordt niet ondersteund voor het spelen van video. Update uw browser naar Internet Explorer 10 of hoger om video af te kunnen spelen.

Als jongen in een jappenkamp

Paul Huizen werd op zijn 13de gescheiden van zijn moeder. Een herinnering die in zijn geheugen gegrift staat. Hij was aan het knikkeren met zijn broertje, toen de Japanners hen kwamen halen.

Ze werden naar hun moeder gebracht, die huilend klaarstond met twee koffers. Ze was ontroostbaar. "Toen we wegreden, had ze zich inmiddels losgerukt van een van de Japanners en rende ze achter ons aan." Tevergeefs: toen ze de hoek omgingen zag Huizen haar nog net vallen op de grond. "Verschrikkelijk."

En dan sloeg de onzekerheid toe: ga ik mijn moeder ooit nog terugzien? "Ik had geen idee wat mij te wachten stond", vertelt Wiko Lamain (86), die op zijn 10de van zijn moeder werd gescheiden.

Eenmaal in het kamp, toen hij in de veel te drukke barak een slaapplek kreeg aangewezen, voelde hij zich pas echt eenzaam. "Ik realiseerde me dat ik er alleen voor stond."

We moesten allemaal toekijken hoe hij in elkaar werd geslagen.

Wiko Lamain

Hij voelde zich onzeker, angstig en vooral machteloos. Een gevoel dat zijn gehele tijd in het kamp niet meer weg zou gaan. "Eén van de jongens werd gepakt, waarschijnlijk omdat hij wat gepikt had, en moest van een Japanner zijn handen omhoog houden. Dat houd je even vol, maar niet lang", zegt hij. "We moesten daarna allemaal toekijken hoe hij in elkaar werd geslagen."

De focus lag op het zorgen dat dit hemzelf niet overkwam. De beste overlevingsstrategie in het kamp? Volgens beide mannen: niet opvallen. "In de stroom meegaan en niet tegen de stroom inroeien", licht Lamain toe.

Bovendien was emotie tonen uit den boze. Want dat was zwakheid tonen, en alleen de sterksten overwonnen, zegt Huizen. Met zijn 'vriendengroepje' kon hij trouwens wel praten, soms zelfs over zijn moeder, broertjes of zusje. "Deze vriendschapsbanden waren enorm belangrijk, je had bescherming nodig van elkaar."

Slangen, muizen, kikkers en krabben

In het kamp was het vooral veel werken en weinig eten. De jongens wrongen zich in allerlei bochten om toch aan voedsel te komen. Slangen, muizen, kikkers, krabben: alles wat de jongens in handen konden krijgen, werd opgegeten.

Na de oorlog werden beide mannen herenigd met hun familie en verhuisden ze naar Nederland. Ieder jaar herdenken ze de jongens die in de kampen overleden zijn. "Dan denk ik weer aan hoe wreed de maatregelen van de Japanners waren", zegt Huizen zichtbaar geëmotioneerd. "Ik kan het niet begrijpen."

STER Reclame