In de 19e eeuw ontstond de nieuwe stad waar het leven nooit stilstaat

Isaac Israëls, koffiepiksters NOS
Geschreven door
Pauline Broekema
Verslaggever

In het Gemeentemuseum in Den Haag zijn de komende tijd dan 300 schilderijen, schetsen, foto's, kaarten en documenten te zien van schilders als George Hendrik Breitner, Isaac Israëls, Jacobus van Looy en Willem Witsen. Zij schilderden de verandering van de steden in de 19de eeuw: de basis voor de moderne samenleving van nu.

Een vrouw ligt uitgeput met haar hoofd op de tafel te slapen. De tekening is te zien op de tentoonstelling 'Rumoer in de Stad', die vrijdag open gaat in het Gemeentemuseum Den Haag. Zo kon het leven zijn in de stad aan het einde van de 19e eeuw. Ze is een van die arbeidsters die dankzij kunstenaars als George Hendrik Breitner en Isaac Israëls een gezicht krijgen. 

Die tekenen en schilderen het rauwe leven dat de vrouwen leiden. Aan lange tafels, onder een laag plafond, met amper daglicht, sorteren ze koffiebonen, urenlang en onafgebroken. Of ze zijn, met de omslagdoek strak om de schouders geslagen, door de kille stad onderweg naar een werkhuis. Of werken tot 's avonds laat als dienstbode aan een van de grachten.

Tentoonstelling toont groeiende stad, maar dan 100 jaar geleden

Na 1870 komt de trek van het platteland naar de grote stad op gang. Steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag verdubbelen in inwoneraantal. Net als Breitner en Israëls schilderen Willem de Zwart, Jacobus van Looy en Willem Witsen die nieuwe stad. Mannen bij heimachines stampen de ene na de andere woonwijk uit de grond. Of vinden werk in de havens. Er is armoede en welvaart. 

Het is tegenwoordig moeilijk voor te stellen dat dingen als winkelen, dineren en uitgaan pas aan het einde van de negentiende eeuw een plek krijgen.

Frouke van Dijke

Het elektrisch licht verandert het leven totaal. Wie het zich kan permitteren gaat uit. Naar een café of een restaurant. Het leven in de stad gaat dag en nacht door, zegt Frouke van Dijke. "Het is tegenwoordig moeilijk voor te stellen dat alledaagse fenomenen als winkelen, dineren en uitgaan pas aan het einde van de negentiende eeuw een plek krijgen", aldus de conservator negentiende eeuwse kunst van het Gemeentemuseum Den Haag.

Biefstukken met spiegeleieren

Ze citeert in de tentoonstellingscatalogus een artikel uit de Tilburgsche Courant van 1893. Daarin wordt met verbazing de metamorfose van de straat beschreven. Dat er restaurants zijn geopend en dat in die koffiepaleizen biefstukken met spiegeleieren worden geserveerd. Terwijl eerder de obers iedere vreemdeling die naar een warme lunch vroeg aankeken "of zij iemand voor zich hadden, die uit een krankzinnigengesticht gevlucht was."

De stedeling gaat uit. Het museum laat tientallen schetsboeken zien van Isaac Israëls. Ze variëren in grootte, zijn vaak beduimeld, het was tenslotte maar een geheugensteun. Het is studiemateriaal, om later op doek verder uit te werken. Israëls tekent het publiek in Theater Carré. Of maakt even een kort schetsje op straat. Wat vrouwen bij een viskraam. 

1/3Frouke van Dijke met een schetsboek van Isaac Israëls NOS
2/3Slapend meisje aan tafel - George Hendrik Breitner (ongedateerd) Gemeentemuseum Den Haag
3/3Heiwerk aan de Van Diemenstraat in Amsterdam, Breitner NOS

Om in het openbaar te mogen schilderen had hij een vergunning nodig. Die werd door de autoriteiten verstrekt onder de voorwaarde dat er geen gedoe ontstond. Een Engelse collega die eerder een Amsterdamse gracht wilde vastleggen kreeg vanuit een bovenraam een emmer water over zich heen.

Hossend, lallend en dronken

Een topstuk op de tentoonstelling is het schilderij waarop Jacobus van Looy het Oranjefeest in Amsterdam verbeeldt. In het halfduister worden de gezichten van de hossende, lallende, dronken feestvierders door flambouwen verlicht. Ze lichtten oranje op. Net als het vlees in de slachterij, ergens in die overbevolkte wijken waarin de feestvierders wonen. 

Misschien dat een verdwaalde vreemdeling, zoals een toerist toen heette, ze vol verbazing heeft bekeken. Zich met de toeristengids in de hand heeft afgevraagd waarin hij nu toch terecht was gekomen.

Scheveningen, Paul Gabriël NOS

Wellicht is hij daarna vertrokken naar Scheveningen. In het avondlicht doemt op een schilderij van Paul Gabriel de mogelijke bestemming op. Een gloednieuw hotel met een koepel en drie torens. Voor het Kurhaus ligt, uitgestrekt en verlaten, de woeste duingrond. Het is alsof de schilder waarschuwt. 

Let maar op, over een paar jaar verschijnen ook hier de heimachines, verrijzen de huizenblokken en is dat land stad geworden en voorgoed verdwenen.