Hollandse Hoogte

Steeds meer leerlingen krijgen de diagnose dyslexie in Nederland. Met beter onderwijs zou een groot deel van de leerlingen dat label niet hebben gekregen, stelden hoogleraren vanochtend in het AD. Maar wat is dyslexie eigenlijk?

Dyslexie betekent letterlijk 'niet kunnen lezen' en wordt ook wel woordblindheid genoemd. Maar of dat ligt aan het niet kunnen lezen of dat het een aangeboren stoornis is, is nog niet geheel duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat iemand met dyslexie moeite heeft met lezen, spellen en schrijven, terwijl er sprake is van een normale intelligentie.

Ook is zeker dat dyslexie zich afspeelt in de hersenen. Zogeheten klankcodes worden daar niet volledig of niet goed verwerkt en daardoor minder goed in het geheugen opgeslagen. Duidelijk is ook dat dyslexie voor een groot deel erfelijk bepaald is. Kinderen van ouders met dyslexie hebben een grotere kans om zelf dyslexie te krijgen dan kinderen waarbij de aandoening niet voorkomt in de familie.

'Andere mensen lezen veel sneller'

In Nederland is 3 tot 5 procent van de leerlingen dyslectisch, denken wetenschappers. Sommige wetenschappers zeggen dat dat percentage mogelijk nog lager ligt. De aandoening wordt vaak vastgesteld nadat kinderen in groep 3 van de basisschool zijn begonnen met lezen. 

Kinderen met dyslexie hebben bijvoorbeeld moeite om het verschil te horen tussen klanken of om klanken in de goede volgorde te zetten. Bij lezen, komen de problemen naar voren zodra kinderen hardop gaan lezen. Kinderen hebben bijvoorbeeld een traag leestempo of maken veel fouten doordat ze woorden gaan raden. 

Ook bij spellen en schrijven zijn er signalen die op dyslexie kunnen wijzen. Langdurig veel spellingfouten maken, is er eentje van. Het kan zijn dat kinderen een bepaald woord op verschillende manieren spellen. Bij schrijven, valt het op als leerlingen vaak onleesbaar met veel doorhalingen woorden op papier zetten. Kinderen die wel leesbaar schrijven, doen dat in een traag tempo.

Kinderen zijn verdiept in hun boek Hollandse Hoogte

Dyslexieverklaring 

Om vast te stellen dat een kind dyslexie heeft, is een diagnostisch onderzoek nodig. Daarvoor moet een leerling een verwijzing van de school hebben. Het onderzoek mag alleen worden uitgevoerd door professionals die gekwalificeerd zijn voor het uitvoeren van psychodiagnostisch onderzoek, bijvoorbeeld een psycholoog of orthopedagoog. Het onderzoek duurt twee of drie dagdelen en bestaat onder meer uit vaardigheidstesten, een onderzoek naar de algemene intelligentie en een gesprek met de ouders en het kind. 

Als er door de arts is vastgesteld dat er inderdaad sprake is van dyslexie krijgt de leerling een dyslexieverklaring, die onbeperkt geldig is. Daarmee mag een kind langer doen over een examen en krijgt het de opgaven in een groter lettertype. Daarnaast kan iemand met een dyslexieverklaring gebruik maken van digitale hulpmiddelen. 

Zorgelijk

Eind vorig jaar uitten minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker hun zorgen. Uit onderzoek kwam toen naar voren dat bij 30 procent van de scholen in het basisonderwijs 10 tot 19 procent van de leerlingen de eindtoets deed met een dyslexieverklaring. Bij zo'n 8 procent van de basisscholen was dat percentage zelfs nog hoger.

Ook had op 40 procent van de vmbo-scholen 20 procent of meer van de eindexamenleerlingen met een 'beroepsgerichte leerweg' zo'n verklaring. 

Volgens internationaal onderzoek is een dyslexiepercentage van rond de 10 normaal. De bewindslieden willen nader onderzoek doen. Ze houden er rekening mee dat sommige leerlingen ten onrechte het etiket dyslexie hebben gekregen en dat aantal willen ze terugdringen.

STER reclame