Marie Colvin op het Tahrirplein in Caïro in 2011 EPA

Familie vermoorde journalist Marie Colvin klaagt Syrië aan

tijd van publicatie

De familie van de in Syrië omgekomen Amerikaanse journaliste Marie Colvin klaagt de Syrische regering aan. Colvin kwam in 2012 samen met de Franse fotograaf Remi Ochlik om het leven bij een bombardement op de Syrische stad Homs. Haar familie houdt het regime van president Assad verantwoordelijk. Het verzoek om vervolging in te stellen, is ingediend in Washington.

De mensenrechtenorganisatie Center for Justice and Accountability (CJA) vertegenwoordigt de familie. In de aanklacht staat dat Syrië welbewust jacht maakte op journalisten en activisten. Volgens documenten die het CJA in handen werden de coördinaten van de satelliettelefoon van Colvin getraceerd en hebben regeringstroepen later op die locatie gebombardeerd.

Volgens CJA zijn er bewijzen dat de regering direct bij het bombardement betrokken was. Een hoge ambtenaar zou gezegd hebben gezegd dat Baba Amr, de wijk waar Colvin overleed, "binnen tien minuten vernietigd had kunnen worden als er geen camera's waren geweest". De regering van Assad zou een auto cadeau hebben gedaan aan een van de betrokkenen bij het offensief op de wijk.

Trots

Cat Colvin, de zus van de omgekomen journalist, zegt dat ze trots is op de stap om de Syrische regering voor de rechter te slepen. Ze zegt dat ze niet de enige is die een familielid verloor in Syrië. Met de rechtszaak wil Cat "een stem geven aan het Syrische volk en de mensen daar laten weten dat we ze niet zijn vergeten".

Secretaris-generaal Christophe Deloire van Reporters Without Borders (RSF) hoopt dat in de rechtszaak wordt bewezen dat de journalisten werden gedood vanwege hun verslaggeving over de oorlog in Syrië.

Militaire doelen

De familie zegt dat de studio waar de journalisten verbleven het doelwit was van een uitgebreide militaire campagne die internationale en lokale media moest uitschakelen. Volgens het Amerikaanse Comité ter Bescherming van Journalisten (CPJ) waren er drie jaar geleden al bewijzen dat Colvin en Ochlik specifiek het doelwit waren van het bombardement.

Volgens het CJA waren er ten tijde van het bombardement geen militaire doelen of rebellen te vinden in de omgeving van de studio. Bij het bombardement kwamen geen militairen om het leven.

Colvin en Olchik waren prijswinnende oorlogscorrespondenten. Tot haar dood werkte Colvin voor de Britse krant The Sunday Times. De Nederlandse oorlogsverslaggever Hans Jaap Melissen omschreef Colvin in 2012 als een oorlogsjournalist met een uitstekend oog voor speciale verhalen.

Ochlik en Colvin werden begraven in de wijk Baba Amr in de Syrische stad Homs.

STER Reclame