AFP

Wie door de regio van Verdun rijdt, wordt getroffen door de grote militaire begraafplaatsen. Ontelbare witte kruisjes op groene grasvelden. Bij de Slag om Verdun (21 februari 1916 - 18 december 1916) vielen ruim 300.000 doden. Hoewel de Fransen het Duitse offensief wisten af te slaan, is de slag vooral symbool geworden van de onmenselijke wreedheden van de Eerste Wereldoorlog.

"Ik ben hier om mijn dochter een gedenkplaat te tonen van een familielid van ons", zegt een moeder bij de begraafplaats bij Douaumont waar 100.000 soldaten liggen. "Ik ben hier nog nooit geweest, maar het heeft me altijd gefascineerd om te weten hoe soldaten onder die onmenselijke omstandigheden konden leven", vertelt haar dochter.

Wat hier werd uitgevochten, is nog steeds relevant voor de wereld.

Amerikaanse toerist

Twee Amerikaanse toeristen zijn meer geïnteresseerd in het militair-historische aspect van de Slag om Verdun. "Deze veldslag vormde het keerpunt van hoe legers elkaar zouden gaan bevechten. Het heeft heel veel gevolgen gehad." 

Zijn reisgenoot noemt een ander aspect. "Nu kijkt iedereen naar de oorlog in Syrië. Dat land is 100 jaar geleden ontstaan, na de Eerste Wereldoorlog. Dus wat onder meer hier werd uitgevochten, is nog steeds relevant voor de wereld."

'Schril contrast tussen rust nu en geweld 100 jaar geleden'

In de omgeving van Verdun heeft de Nederlandse Fransman Jean-Paul de Vries een museum van gevonden oorlogsspullen. Opgegraven door De Vries in een straal van 5 kilometer van z'n huis in Romagne-sous-Montfaucon. Als kind kwam hij hier jaarlijks met de caravan tijdens de vakantie. "Toen ik 7 was, kreeg ik van de campingbaas een kapotte bajonet. Die man zei dat er nog veel meer lagen in het bos vlakbij." En zo begon een leven lang zoeken naar oorlogsobjecten.

In zijn museum worden talloze spullen uit de Eerste Wereldoorlog tentoongesteld - veldflessen, geweren, soldatenkistjes. Er is een veldhospitaal nagebouwd en een ondergrondse loopgraaf.

"Het centrale punt van het museum zijn twee soldaten die we gevonden hebben. Ik was met een groep vrienden aan het graven en toen stuitten we op hen. Een van de twee jongens was 19 jaar oud, net zo oud als ik toen. Z'n riem was kapot, z'n handen lagen op z'n riem en de granaatscherf zat nog in het heupbot.

Die vondst was belangrijk, zegt hij. "Dat heeft er voor gezorgd, denk ik achteraf, dat ik dit beroep gekozen heb. Op het moment dat je het naamplaatje ziet, dan zijn het niet meer zomaar spullen, maar de bezittingen van een leeftijdsgenoot. Het wordt in een keer veel persoonlijker."

Strontzoeker

In de omgeving heeft De Vries een niet zo vleiende bijnaam: de strontzoeker. "Omdat ik altijd die rotzooi mee naar huis nam, noemen ze me Jean-Paul de fouille merde, oftewel de strontzoeker. Ik was de enige die waarde zag in die spullen."

De Vries heeft zich er altijd over verbaasd dat de Franse staat geen museum zoals het zijne heeft geopend. "Dat had wel gemoeten. Er zijn zoveel spullen verloren gegaan. Die zijn niet alleen in handen gevallen van verzamelaars, maar ook gewoon naar de ijzerboer gegaan en vernietigd."

Op de vraag waarom de Fransen er niet meer werk van hebben gemaakt, aarzelt de Nederlander. "De Fransen zijn te veel geconfronteerd met deze oorlog. Opa had het erover, en daarna m'n vader nog, zeggen ze. De boeren hier hebben er nog steeds last van: lekke tractorbanden, bommen in de ploeg. Het wordt gezien als een last."

De 'oercatastrofe van de twintigste eeuw'

STER reclame