De drie Spitsbergenveteranen, Ko de Korte, Piet Oosterveld en Paul de Groot NOS

Een grote Nederlandse wetenschappelijke expeditie vaart door het Noordpoolgebied. NOS-weerman Peter Kuipers Munneke en verslaggever Martijn Bink varen mee en houden een dagboek bij. Vandaag deel 3. 

Aan boord van het schip lijkt het soms een grote catwalk met fleece truien, Goretex-broeken en dikke gevoerde winterjassen. Er zijn een paar oudere heren die daar met blauwe wollen visserstruien sterk bij afsteken. Dit zijn de drie Spitsbergenveteranen, die vanaf midden jaren 60 bijna twintig jaar onderzoek hebben gedaan op Edgeøya, een eiland in het oosten van Spitsbergen.

Ko de Korte, Piet Oosterveld, Paul de Groot en wijlen Eric Flipse. In 1968 kwamen ze voor het eerst op Edgeøya, om onderzoek te doen naar ijsberen. Ze zouden er overwinteren. En daar moesten ze zelf een onderkomen voor bouwen. Het was een barre en avontuurlijke tijd. Maandenlang in het donker. Afgesloten van de buitenwereld, met temperaturen tot min dertig graden. 

Vandaag gaan de overwinteraars, zoals ze worden genoemd, voor het eerst samen terug naar onderzoeksstation Kapp Lee. Ze willen kijken of er in de afgelopen decennia iets veranderd is op deze extreem afgelegen plek.

We lagen vaak onder een laagje sneeuw te slapen.

Paul de Groot, onderzoeker

Platzak

Eén ding is in ieder geval anders: de reis naar Edgeøya. In 1966 ging Ko de Korte voor het eerst op weg naar Spitsbergen. Die reis duurde lang. Heel lang. "Als biologiestudent liftte ik platzak naar Bodø, Noord-Noorwegen", zegt De Korte. "Daarvandaan reisde ik op een van de kolenschepen mee naar Spitsbergen. Om de overtocht te verdienen werkte ik in de keuken en de kombuis. De reis duurde in totaal ruim twee weken."

De Korte merkt dat het gebied verandert. In Hornsund kon je in de jaren 70 een gletsjer oversteken om van west naar oost te komen. Dat was een wandeling van 25 kilometer. Nu is het nog tien. En binnenkort ligt er alleen nog open water: de zuidelijkste punt van Spitsbergen wordt dan een eiland.

IJsbeer

Met een klein bootje worden de drie overwinteraars naar Kapp Lee gebracht. Er staan nog drie houten gebouwtjes. Het onderkomen dat zij bouwden, is afgebroken in 1987. Dat was het laatste jaar dat hier Nederlandse onderzoekers verbleven. 

Met het naderen van de plek, komen ook de herinneringen terug. Oosterveld herinnert zich vooral de stilte. Paul de Groot vertelt dat ze altijd moesten checken of er geen ijsbeer om de hoek lag als ze de deur uitgingen. “En de wind. Het waaide hier altijd. Windkracht tien was heel normaal. Daardoor kwam de sneeuw door alle gaten en kieren naar binnen en lagen we vaak onder laagje sneeuw te slapen”.

Wij zagen alleen maar rendieren en ijsberen en soms een poolvosje.

Ko de Korte, onderzoeker

Emotioneel moment

De Groot heeft een verrassing meegenomen voor zijn oude maten. Hij heeft samen met zijn vrouw de originele logboeken uitgewerkt en er een naslagwerk van gemaakt. Als hij het aan hen overhandigt, houdt hij het niet droog. Het is een emotioneel moment. Drie mannen die aan de basis staan van het noordpoolonderzoek in Nederland, terug op de plek waar het ooit begon.

Maar is deze plek nou veel veranderd in die veertig jaar? “Nee”, zegt De Korte. “Alleen die walrussen waren er niet. Wij zagen alleen maar rendieren en ijsberen en soms een poolvosje.” Vijftig meter verderop ligt een dertigtal enorme walrussen heerlijk lui te bakken in de zon. Met hetzelfde uitzicht dat de overwinteraars van toen, nu nog kunnen dromen.

Lees ook: Poolexpeditie dag 2: geen stenen meenemen of ijsberen aaien

STER reclame