Pharrell Williams (links) en Robin Thicke AFP

De schadevergoeding die Robin Thicke en Pharrell Williams aan de nabestaanden van Marvin Gaye moeten betalen voor plagiaat is niet uniek in de popmuziek. Er zijn meer spraakmakende voorbeelden van creatief jatwerk, al komt het lang niet altijd tot een veroordeling.

Thicke en Williams moeten 7,4 miljoen dollar betalen omdat Blurred Lines wel erg veel lijkt op Got to Give it Up van Marvin Gaye. De twee spreken tegen dat ze de melodie hebben 'geleend', en zeggen dat de twee nummers nu eenmaal in hetzelfde genre zijn geschreven. Ze geven de strijd niet op.

Wie tijdens een rechtszaak wel opgaf, was George Harrison. De ex-Beatle maakte in 1970, kort na het uiteenvallen van de band, de solo-single My Sweet Lord. Daar had hij een wereldhit mee, totdat de makers van het nummer He's so Fine (The Chiffons, 1963) aan de bel trokken.

Overeenkomsten

Harrison zei eerst dat hij de inspiratie voor zijn nummer had gevonden in Oh Happy Day van de Edwin Hawkins Singers. Voor de rechter moest hij erkennen dat hij het nummer van The Chiffons kende voordat hij My Sweet Lord maakte, en dat er wel nadrukkelijke overeenkomsten waren.

De afloop: Harrison moest vrijwel alle royalty's van het nummer afdragen aan de muziekuitgever die de rechten van He's so Fine bezat.

Er zijn meer voorbeelden van popnummers die verdacht veel lijken op een eerder verschenen song, maar het komt niet altijd tot een rechtszaak. Een veelbesproken voorbeeld is Venus, waarmee de Nederlandse band Shocking Blue een wereldhit had. Wie eerst The Banjo Song van The Big 3 beluistert en daarna Venus, moet wel erg a-muzikaal zijn om niet aan plagiaat te denken.

Gitaarriff

Karakteristieke gitaarloopjes met een dubbelganger zijn er ook. David Bowie maakte in januari 1975 het nummer Fame. Later dat jaar kwam James Brown met Hot (I Need to be Loved) en daarin een inmiddels vertrouwde gitaarriff.

Er zijn musicologen die zeggen dat in de (pop)muziek alles al eens is gedaan, dat iedere generatie voortborduurt op wat er al bestaat en dat in nieuw werk soms onbewust melodieën of akkoordenschema's terugkeren. Het is maar de vraag of er bewijs voor is te vinden dat het explicite jatwerk of kopiëren is.

Eind zoek

Muzikanten laten het er om die reden vaak zelf maar bij zitten, zegt ook 'popprofessor' Leo Blokhuis. "Soms beschouwen ze het zelfs als een eer als er een melodielijn of een fragment uit hun werk ergens anders terugkeert. En verder: als de feel van een popsong overnemen ook al strafbaar wordt, dan is het eind natuurlijk zoek."

Blokhuis wijst erop dat het meestal muziekuitgeverijen of nabestaanden zijn die geld ruiken en daarom iemand aanklagen voor plagiaat. 

Voor wie nog wat voorbeelden wil beluisteren en vergelijken: Sweet little sixteen (Chuck Berry '58) en daarna Surfin' USA (The Beach Boys '63). Of eerst All day and all of the night (The Kinks, '64) en dan Hello I love you (The Doors '68). En iets recenter Eighties (Killing Joke '84) en Come as you are (Nirvana '92).

STER reclame