Door verslaggever Pauline Broekema

Sip Fokkens is vandaag niet bij de herdenking in Den Haag, de televisie mijdt hij. De beelden emotioneren de negentigjarige Fokkens te veel. Even een blik werpen op het scherm, dat is voldoende.

Hij heeft genoeg aan zijn eigen Indië oorlog. Hij wandelt liever in de tuin in Doorn, waar hij samen met lotgenoten de capitulatie herdenkt. Ze zijn enkele dagen samen in het centrum van Stichting de Basis, die nazorg verlenen aan slachtoffers van ingrijpende gebeurtenissen.

Fokkens werkte aan de Birma-spoorlijn. Het is een wonder dat hij overleefde. Hij vertelt met grote precisie en onderbreekt soms zijn verhaal. "Nu moet ik uitkijken dat ik niet ga", zegt hij dan, laat een stilte vallen en vermant zich, want: geen tranen.

Drenthe

Zijn ouders hadden een boerderij in het Drenthse Buinen. Fokkens had vier broers, ging hij het leger in en vertrok in maart 1940 naar Indië. Nederland was toen al gemobiliseerd.

"We kwamen aan in Batavia en daar werd ik ingedeeld bij de kustartillerie. Toen waren de spanningen er al", vertelt hij. "Van daar ben ik doorgegaan naar Tjilatjap, een havenplaats op Zuid-Java. Op de benteng, het fort, stonden onze kanonnen. Daar brak de oorlog uit."

Kaal

Hij vervolgt. "We werden krijgsgevangene gemaakt. Ik had een mooie bos haar en die ging er meteen af. Ik was helemaal kaal. We moesten de oorlogsschade in de haven opruimen. Onze Japanse bewakers begonnen direct te slaan. Je wist meteen waar je aan toe was."

"Ik kwam terecht in Tjimahi, een heel groot krijgsgevangenkamp", vertelt Fokkens. "De dag voor we arriveerden waren er twee jongens gefusilleerd. Die waren 's nachts over de omheining geklommen en gepakt. De volgende dag zijn ze doodgeschoten. Het was daar zwaar. Als je ooit bent getrapt en vernederd, dan vergeet je dat nooit meer. Niet dat het me dagelijks overkwam, maar ik ben wel eens aan de beurt geweest."

Transport

Tjimahi was een tussenstation voor Fokkens. Hij werd doorgevoerd naar Batavia en ging van daar verder naar Singapore. Een verblijf van enkele maanden in een oud Engels legerkamp volgde. Daarna werd hij op transport gesteld naar de Birma, een reis die hem bijna zijn leven kostte.

Onderweg werd het Japanse vrachtschip Nitimei Maru, waarmee Fokkens en honderden anderen werden vervoerd, door de Amerikanen gebombardeerd. Dat was op 15 januari 1943.

Lepeltje lepeltje

"We waren ondergebracht in het ruim. Lepeltje, lepeltje zal ik maar zeggen. Mijn redding is geweest dat we af en toe naar boven mochten. Daar stonden van die hokjes waar je je behoefte kon doen. Waarschijnlijk was ik daar toen we werden aangevallen. Ik wist nooit wat bakboord of stuurboord was, maar ik ben er bakboord van afgesprongen. Binnen een half uur was het schip gezonken."

"We voeren daar met twee schepen", beschrijft Fokkens. "Die ander was er nog. Wij dreven in zee. Toen kwamen de reddingssloepen. Met ons was ook de Japanse bemanning overboord geslagen. Die mannen werden eerst gered. Als je je hand naar een sloep uitstak werd die weggeslagen. We hebben een hele middag in zee gelegen en zijn uiteindelijk als laatsten gered. Ik was alles kwijt."

Huidkanker

Dat heeft hij geweten. Het slavenwerk aan de Birma-spoorlijn deed hij op blote voeten. "Mijn schoenen was ik bij die scheepsramp immers verloren", zegt Fokkens. En hoofdbedekking? "Ik weet het niet of ik nog iets had. Feit is dat ik al jaren last heb van huidkanker. Het is nu onder controle. Maar ze hebben heel wat aan me gesleuteld."

Zijn eerste onderkomen in Birma was Kamp 18. Het was redelijk, zeker vergeleken bij wat later volgde. "Je moest het talud voor die spoorlijn maken. 's Morgens om zes uur aantreden. Onze groep bestond uit zo'n dertig personen, we werden bewaakt door Japanners."

Mandje

"Daar ging je, met schoppen en houwelen naar de spoorlijn", vervolgt hij. "Iedere dag weer moest je één kuub grond verzetten. Zand scheppen en dat vervolgens met een mandje naar het talud brengen."

Overleven was het voornaamste. De dag doorkomen en vervolgens de nacht doorbrengen op een brits van bamboe. Je moest je gedeisd houden als de Japanse bewakers weer eens scheldend door de barak liepen. Soms was er onder het werk nog wel een buitenkansje. Dan kreeg iemand de gelegenheid om in de omringende jungle wat groenten te plukken. "Dat deden de Indische mensen onder ons", vertelt Fokkens. "Die hadden er verstand van."

Laddertjes

Sip Fokkens zat in verschillende kampen aan de Birma-spoorlijn. Hij noemt Kamp 30 "redelijk", maar in Kamp 100 was het volgens hem "erbarmelijk".

Het kost hem moeite er over te vertellen. "Daar stierven dagelijks mensen. Ik was ingedeeld bij de houthakkersploeg. Soms werden we teruggeroepen naar het kamp om iemand te begraven. Er was een oude marinier die deed niets anders dan laddertjes maken. Kisten hadden we niet. Op zo'n laddertje werd het lichaam gelegd, in een stromat gewikkeld. Touw was er niet. Dus gebruikt we lianen, uit het bos, en bonden het lichaam daarmee op dat laddertje."

Last Post

"Er was daar een ploeg iedere dag bezig met kuilen graven", herinnert zich Fokkens. "Vooral in de regentijd was dat een verschrikkelijk werk. Bij zo'n begrafenis speelde een Amerikaanse gevangene de Last Post. Nu nog, als ik de Last Post hoor, jank ik."

De oorlog van Sip Fokkens eindigt in Saigon, het huidige Vietnam. Ook daar ondervond hij gevangenschap vol risico.

"We zaten bij de Mekong-rivier", vertelt hij. "De Amerikanen begonnen te bombarderen. Duikbommenwerpers kwamen zo uit de lucht vallen. Ik werkte er aan de haven als koelie. We werden ingezet bij de aanleg van een vliegveld. Op een gegeven moment ging het verhaal dat we zouden worden afgevoerd en afgemaakt. We werden ingescheept en voeren de Mekong af. Een paar dagen zaten we op die boot en toen draaiden ze om."

'Je bent vrij'

In Saigon beleefde Sip Fokkens uit Buinen zijn bevrijding. "'s Nachts meerden we af in Saigon. Op de kade stonden mensen. Je bent vrij, zeiden ze."

Fokkens heeft de oorlog op het nippertje overleefd. Hij heeft geen idee hoe het thuis in Drenthe was, in die oorlogsjaren. "En daar wisten ze niet hoe het met mij was", vult hij aan. De man uit Buinen kwam weer wat bij tijdens een verblijf in Singapore.

Raffles Square

Een oude vriend van hem schuift aan en luistert mee naar het verhaal van die eerste naoorlogse weken. "Met hem heb ik op Raffles Square in Singapore nog gevoetbald. Weet je nog? Ru, die trouwde in Singapore met een Chinese vrouw. Ik ben nog getuige geweest."

Een potje voetbal, trouwerijen: het leven herneemt zijn gang. Maar omdat hij in Singapore zit, gaat een bevordering aan de neus van Fokkens voorbij. Eenmaal terug in Batavia is hij nog altijd Soldaat eerste klasse.

Westerbork

Pas in 1948 keert Fokkens terug naar Nederland, via Westerbork, het voormalige doorgangskamp dat dan even als militair verzamelpunt dienst doet en waar jaren later ook Molukse families worden ondergebracht. Families die er, met de valse belofte dat het verblijf tijdelijk zal zijn, komen wonen.

'Schattenberg' heet het woonoord dan. "Westerbork", zegt Fokkens en laat nu even de tranen toe. "Het land van tidak bisa."

'Tidak bisa'

De man legt uit waarom het hem zo emotioneert. "Al die mensen die terugkwamen of gedwongen werden om terug te gaan. Ze kwamen aan in een land waar ze op een vraag om hulp, een vraag om aandacht, als antwoord kregen: 'tidak bisa'. Het kan niet. Het is niet mogelijk."

Fokkens staat er liever niet te lang bij stil. Voor hem heeft het ook gegolden. Er was in de naoorlogse jaren, op zijn zachtst gezegd, weinig begrip voor wat een krijgsgevangene aan de Birma-spoorlijn had meegemaakt.

Boerderij

Met een militaire wagen wordt Fokkens na al die jaren thuisgebracht naar Buinen. In de boerderij zit de hele familie klaar, al leven zijn ouders dan niet meer. Vader is voor de oorlog overleden, moeder is een jaar voor zijn terugkeer gestorven.

Na al die jaren is Sip terug uit Indië. De familie heeft nog geen idee wat hij heeft meegemaakt.

'Wat is het hier mooi'

"Ik weet nog dat ik naar de keuken liep. Vanaf daar keek je uit over het land. Heel mooi, in de verte zie je de Hondsrug lopen. Ik keek en dacht: de natuur in Indië was prachtig, maar wat is het hier ook mooi."

STER reclame