Het gezin Silbernberg: vader Philip, dochter Roos, moeder Jenetta en zoon Herman · Privécollectie Jac Lemmens

Weinig begrip voor Joodse onderduikers

Je huis niet terugkrijgen of het moeten delen met een NSB-familie, rekeningen moeten betalen van verloren familieleden, opnieuw moeten beginnen zonder enige hulp. En het ergste: de vrees dat weggevoerde geliefden niet meer terug zullen komen.

Toch kunnen de Joden die de oorlog in het zuiden in onderduik wisten door te komen, in veel gevallen op weinig begrip en steun rekenen.

Zo wordt de 11-jarige Herman Silbernberg op straat door de apotheker aangesproken. De man beweert medicijnen opgestuurd te hebben naar de ouders van Herman in kamp Westerbork. Hij wil zijn geld. "Wie gaat de pillen van je moeder nu betalen?", vraagt hij.

Bewariërs

Alles zijn de meeste mensen kwijt. Alleen met een koffertje zijn ze uit de onderduik gekomen. Veel 'Joodse woningen' zijn verkocht aan NSB'ers. Geld en goederen die door de Duitsers of Nederlanders in beslag zijn genomen, worden niet geretourneerd.

Ook wie zijn bezittingen in bewaring heeft gegeven bij niet-Joden krijgt ze in veel gevallen niet terug. 'Bewariërs' worden de mensen genoemd die weigeren Joodse bezittingen terug te geven.

Zo ziet Benoit Wesly zijn meubels in een huis staan. "We wisten niet dat ze van de Jood Wesly waren", zeggen de mensen tegen de politie. "Jammer dat hij terug is gekomen".

Geen extra steun

Na de bevrijding van Maastricht is onder leiding van het Rode Kruis begonnen met de registratie van Joodse overlevenden. Het comité van Israelitische belangen (CIB) is opgericht.

Eenmalig heeft het comité een bedrag van tienduizend gulden van de regering in Londen ontvangen. "Een vergissing" noemt de regering deze gift drie weken later. In tegenstelling tot de Duitse bezetter wenst de Nederlandse regering geen onderscheid te maken tussen joden en niet-joden. Het zijn Nederlanders als alle anderen.

"Deze mensen moeten in de toekomst geholpen worden op dezelfde wijze als anderen die door oorlogsomstandigheden geen bestaansmiddelen hebben," schrijft de minister van Binnenlands Zaken. Op ideologische gronden hoeft de Joodse gemeenschap dus niet op extra steun te rekenen.

Er wordt geen rekening gehouden met de zware verliezen die de gemeenschap heeft geleden en de netwerken die zijn weggevallen.

Hulp aan Duitse Joden

Het CIB doet wat het kan. Het geeft kleding, onderdak, huisraad, voedsel. Maar een groot deel van het geld wordt gebruikt voor hulp aan Duitse Joden.

Doordat de anti-Joodse maatregelen van de nazi's zijn opgeheven, krijgen de Duitse Joden hun nationaliteit weer terug. Vervolgens worden ze als vijandige Duitsers behandeld en hebben geen recht op onderdak of distributiekaarten. De tienduizend gulden is dan ook snel op.

Antisemitisme

Alhoewel hun gebedshuizen verwoest of zwaar beschadigd zijn, ontvangt de joodse gemeenschap ook geen uitnodiging voor gesprekken over het herstel van religieuze gebouwen. Daarvoor achten de autoriteiten de is de omvang van de joodse gemeenschap te gering.

Joden mogen niet meer macht krijgen dan hun geringe aantal rechtvaardigt, schreef M. Bruna afgelopen november in het Limburgsch Dagblad. Natuurlijk is het erg wat hen is overkomen maar er moet gewaakt worden voor te grote invloed van de Joden, "een ras dat zich steeds min of meer van de overige bevolking blijft onderscheiden", stelt Bruna onder de kop "Joden-problemen'.

Er komt veel kritiek op het artikel maar toch lijkt de jarenlange antisemitische propaganda van de Duitse bezetter een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking te hebben besmet. Ze geloven dat de Joden voor de oorlog te invloedrijk waren en willen niet dat deze situatie zich herhaalt. Ook onder meerdere ambtenaren lijken deze opvattingen post te hebben gevat.

Oude rekeningen

Zo hoeven de broers Appie en Lou Drielsma niet op coulance te rekenen. Ze overleefden de onderduik, maar krijgen nu een stapel gemeenterekeningen uit de oorlogsjaren gepresenteerd. Van al hun familieleden die zijn weggevoerd.

Ies Silbernberg weigert het bedrag dat de gemeente hem geeft. Hij raakte gewond bij een ontsnappingspoging en bleef achter in het ziekenhuis toen andere patiënten werden geëvacueerd. "Laat hem maar liggen", redeneerde een Duitse soldaat. "Hij gaat toch wel kapot."

Bij terugkeer in zijn stad Geleen bood de gemeente hem een bedrag van 6 gulden om zijn zaak weer op te bouwen. Ies weigert: "Hou die ook maar, ik red me wel zonder die fooi."

Dezelfde maan

Velen die in onderduik overleefden zijn nog jong. Wellicht tegen beter weten in, dromen zij van de terugkeer van hun ouders. Zoals de kleine Herman Silbernberg die nu samen met zijn zusje Roosje bij een tante woont.

"Mijn tante vertelde dat ze misschien niet meer terug zullen komen", vertelt hij. "Maar als ik 's avonds vanuit bed naar de maan kijk, hoop ik dat mijn ouders nog ergens zijn en nu naar dezelfde maan kijken."