Door verslaggever Pauline Broekema
Zeshonderd bezoekers alleen al bij de opening. "Dat maken we zelden mee", zegt Meta Knol, samensteller van de tentoonstelling Beyond the Dutch.
Het Centraal Museum in Utrecht belicht vanaf dit weekend de invloed die Indonesië in verleden en heden heeft op de Nederlandse beeldende kunst. En andersom. Een onthullende en confronterende expositie.
De grote belangstelling bij de opening heeft verschillende oorzaken, denkt Meta Knol. Een op de tien Nederlanders heeft een band met Indonesië. En het is voor het eerst dat in een museum voor moderne kunst op deze schaal aandacht is voor het thema.
"Bij jullie zijn het altijd de volkenkundige musea die aandacht besteden aan Indonesische kunst", zegt Enin Supriyanto, de Indonesische samensteller van de expositie. In Azië ligt dat heel anders. Daar is, net als voor de moderne Chinese schilders, grote belangstelling voor kunstenaars uit Indonesië. Voor een schilder als Heri Dono (van wie in het Tropenmuseum gelijktijdig een overzichtstentoonstelling is) worden topprijzen betaald.
De idylle
De tentoonstelling in het Centraal Museum begint met een stroming waarvan in menige Nederlandse huiskamer de voorbeelden hangen. Schilderijen volgens de Mooi Indië stijl. De rijstvelden, de bergstroom, de vulkaan, een markttafereel. Beelden van een onschuldig, vredig Indië. Geschilderd door Nederlandse en ook Javaanse kunstenaars. Het was de idylle, de realiteit van de koloniale machthebber. Die geen ruimte liet voor een blik op de situatie van de doorsnee bevolking. In de periode van dekolonisatie zijn het Indonesische kunstenaars die ze in beeld brengen. Bedelaars, paupers. En het verzet tegen de sociale ongelijkheid. Zo schildert Hendra Gunuwan in 1949 guerrillastrijders; aan de loop van het geweer wappert de Indonesische tweekleur.
Potlood
In de hedendaagse Indonesische kunst zijn amper nog sporen te vinden van de Nederlandse periode. Er is steeds meer ruimte voor een kritische beschouwing van het politieke systeem. Of reflectie op de eigen geschiedenis, waarbij de Nederlanders nauwelijks een rol spelen.
Hoe anders ligt het bij veel Nederlandse kunstenaars. Die onderzoeken nog altijd de banden met de Oost. En van de indringendste werken is `Mijn naam is potlood", een installatie van Tiong Ang. Hij kwam op vijfjarige leeftijd naar Nederland. Met zijn ouders, die terugkeerden na een poging mee te werken aan de opbouw van de jonge Republiek. In het vliegtuig kreeg hij een potlood aangereikt, om de verveling te verdrijven. Potlood, het werd het eerste Nederlandse woord dat hij leerde. In zijn intrigerende werk, een combinatie van doek, video,foto, sculptuur geeft hij weer wat zo veel Nederlanders nog altijd bezighoudt. De verwondering over het land van herkomst. Als ik daar was gebleven wat was er dan van mij geworden? Een kind dat zorgeloos achter een vlieger aangaat? Of een man die werkloos vanuit de berm bij de snelweg het razende verkeer van de metropool beschouwt.
Pijnlijke confrontatie
Voor nogal wat mensen zal de tentoonstelling een pijnlijke confrontatie zijn met het verleden. De mannen die vochten tijdens de politionele acties. Ze zien zichzelf terug als onderdrukkers, in tekeningen gemaakt in die periode. Voor hen zijn er speciale rondleidingen gepland om ze voorzichtig te confronteren met de Indonesische kijk op de strijd om onafhankelijkheid.
Voor de tentoonstelling had het centraal Museum ook graag werk uit de omvangrijke collectie van de presidentiele paleizen willen hebben. De basis voor de collectie werd gelegd door de eerste president van Indonesië, Sukarno, een kunstliefhebber. Maar op het laatste moment bleek het tentoonstellen van dat werk nog een brug te ver. De collectie is in Indonesië nog niet te zien voor het publiek. Laat staan in het buitenland. Maar Meta Knol sluit niet uit dat het in de toekomst wel gebeurt. En met de overzichtstentoonstelling een eerste stap is gezet.
In ieder geval vinden de Indonesiërs de tentoonstelling zo bijzonder en belangrijk dat die na Utrecht ook daar te zien zal zijn.
