Door redacteur gezondheidszorg Rinke van den Brink
Veel gemeenten bieden thuiszorgbedrijven nog steeds te lage tarieven voor het verlenen van huishoudelijke hulp. Dat blijkt uit onderzoek van brancheorganisatie Actiz onder haar leden. Gemeenten betalen meestal 1 tot 4 euro te weinig voor een uur huishoudelijke hulp.
Aan het onderzoek hebben 49 zorgorganisaties meegedaan werkzaam in 203 gemeenten (vrijwel de helft van alle gemeenten). In die gemeenten wonen bijna tien miljoen mensen.
Transparantie
Een uur huishoudelijke hulp van de simpelste soort (type 1) zou in 2010 tussen de 23 en 25 euro moeten gaan kosten. Die bandbreedte is gebaseerd op de uitkomsten van het eerdere onderzoek Transparantie in de kostenstructuur van hulp bij het huishouden dat Pricewaterhouse Coopers (PwC) op 9 december 2008 heeft gepubliceerd.
PWC stelde vast dat in 2008 gemeenten gemiddeld tussen de 2 en 4 euro minder betaalden dan de kostprijs voor een uur huishoudelijke hulp. Bovendien waarschuwde PwC dat die kostprijs door wijziging van de WMO per 1 januari 2010 nog eens flink omhoog gaat.
Onvoldoende
Gemeenten zijn volgens Actiz wel bereid meer te betalen dan vorig jaar, maar nog steeds minder dan volgens de berekeningen van PwC gerechtvaardigd zou zijn.
Geen van de zorgorganisaties die aan het nieuwe onderzoek heeft meegedaan krijgt van gemeenten 23 euro of meer betaald voor een uur huishoudelijke hulp type 1. Ook voor de iets uitgebreidere huishoudelijke hulp type 2 worden geen kostendekkende tarieven betaald.
Het merendeel van de tachtig gemeenten waarvan gegevens bekend zijn - bijna 20 procent van alle gemeenten - betaalt tussen de 18 en 22 euro per uur. Met uitschieters naar boven - 22,90 euro - en naar beneden - 14,85 euro per uur.
Bijna 30% van de zorgbedrijven die aan het onderzoek hebben meegedaan zien vanwege de te lage tarieven af van pogingen om een contract te sluiten met een van de betrokken gemeenten.
Van AWBZ naar WMO
Per 1 januari 2007 heeft staatssecretaris Bussemaker van VWS de huishoudelijke hulp vanuit de AWBZ overgeheveld naar de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning). Gemeenten laten thuiszorgbedrijven sindsdien offreren voor welke prijs zij het werk willen doen. Die aanbestedingen vinden in de meeste gemeenten tweejaarlijks plaats.
In 2007 en 2008 heeft dat geleid tot veel problemen voor de thuiszorgbedrijven. Deels omdat ze onder de kostprijs offreerden om hun marktaandeel niet te verliezen en hun personeel aan het werk te houden, deels omdat gemeenten niet bereid waren een kostendekkend tarief te betalen.
Verlieslatend
Volgens Actiz leed 68% van de bedrijven in 2007 verlies op de WMO en over 2008 steeg dit tot 72%. Uit onderzoek van het CBS bleek onlangs dat thuiszorgbedrijven waarbij huishoudelijke Wmo-hulp meer dan 5% van de omzet bedroeg, veel vaker verlies lijden dan thuiszorgorganisaties die geen of weinig huishoudelijke Wmo-hulp verlenen.
Veel bedrijven hebben een deel van hun personeel ontslagen en vervolgens dezelfde mensen weer ingehuurd als alfahulp. Alfahulpen zijn kleine zelfstandigen en krijgen aanzienlijk minder betaald dan het cao-loon dat geldt voor verzorgende die huishoudelijke hulp geven.
Personeel houdt het voor bekeken
Een deel van de verzorgenden is als alfahulp aan het werk gebleven, anderen hebben daarvoor bedankt en hebben elders werk gezocht. Intussen hebben schoonmaakbedrijven een groot deel van de markt voor huishoudelijke hulp in handen gekregen.
Staatssecretaris Bussemaker zag met lede ogen personeel uit de zorg vertrekken door de WMO-perikelen. Per 1 januari 2010 mogen thuiszorgbedrijven daarom geen alfahulpen meer inzetten voor het verlenen van huishoudelijke hulp. Dat betekent dat de personeelskosten voor de bedrijven hoger worden.
Eind augustus liet Bussemaker weten teleurgesteld te zijn dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten haar leden niet wilde oproepen reeële tarieven te betalen voor huishoudelijke hulp (zie onder achtergrond). De VNG vond dat toen niet nodig, zegt de vereniging, omdat zo'n oproep al in juli werd gedaan.

»
»
»