Door politiek redacteur Toof Brader
En opnieuw zorgden verkiezingen in Nederland voor een politieke aardverschuiving. Tegenover de spectaculaire winst voor de PVV en D66 en in wat minder mate voor GroenLinks, staan de even gevoelige verliezen voor de PvdA, het CDA en de VVD.
Het is begrijpelijk dat de aandacht zich daarbij in eerste instantie focused op de bijzondere prestaties van de winnaars, maar misschien zit het grootste spektakel deze keer wel bij de verliezers.
Voor het eerst sinds de invoering van het algemeen kiesrecht bijna een eeuw geleden, behaalden de drie representanten van het klassieke vaderlandse politieke driestromenland samen geen meerderheid meer. De confessionelen van het CDA, de sociaal-democraten van de PvdA en de liberalen van de VVD haalden gisteravond slechts elf van de 25 te vergeven Europese zetels. Een tot voor kort vrijwel ondenkbaar gegeven.
Overzichtelijk
Tot het begin van deze eeuw haalden confessionelen, sociaal-democraten en liberalen bij elke verkiezing samen steevast meer dan tweederde van de stemmen. Dat maakte de Nederlandse politiek erg overzichtelijk.
Eigenlijk hoefde een politiek analist alleen op de electorale verschuivingen tussen die drie partijen te letten. Die doorgaans bescheiden verschuivingen bepaalden immers de kleur van het nieuwe kabinet, waarbij het er meestal om ging of de confessionelen met de sociaal-democraten of de liberalen gingen regeren.
Buitenstaanders kwamen er zelden aan te pas, behoudens een enkele uitzondering als D66. Zo ontwikkelde zich in Nederland een stabiele politieke cultuur zonder veel schokken, waarin confessionelen, sociaal-democraten en liberalen weliswaar over veel dingen van mening verschilden, maar het tegelijkertijd ook steeds meer eens werden over hoe het politieke spel behoort te worden gespeeld.
Vaste spelregels
Nederland coalitieland, zo heette die consensus met breed gedeelde gezamenlijke waarden als compromis-bereidheid, een gematigde vocabulaire in het debat en een sterke neiging de flanken van het politieke spectrum als Regierungsunfähig, zo niet extremistisch te beschouwen. Een politieke cultuur waarin teveel afstand van het politieke midden al genoeg was om niet serieus te worden genomen.
Zoals gezegd, het was een cultuur die verkiezing op verkiezing door de kiezers in grote meerderheid democratisch werd gelegitimeerd. Partijen op de flanken van het politieke spectrum bleven domweg te klein om die consensus ook maar enigszins te bedreigen.
Maar het lijkt steeds duidelijker te worden dat de kiezer het vertrouwen in die jarenlang beproefde politieke cultuur meer en meer is verloren. Vooral sinds 1994 zijn verkiezingsuitslagen steeds grilliger geworden met spectaculaire winsten voor nieuwkomers als D66, de SP, de LPF of de PVV. Partijen die ideologisch vaak sterk van elkaar verschillen, maar wel sterk op elkaar lijken in hun kritiek op het volgens hen te gesloten karakter van de door het CDA, de PvdA en de VVD gevestigde politieke consensuscultuur.
Vanzelfsprekend
De opkomst bij de Europese verkiezingen was met 36,5 procent laag. Het zou dus heel goed kunnen dat de drie klassieke machtspartijen in de Nederlandse politiek zich straks in 2010 (gemeenteraad) of 2011 (Tweede Kamer) toch weer een beetje herstellen en opnieuw het verloop van de kabinetsformatie bepalen. Maar zo vanzelfsprekend als dat altijd geweest is, zal het na donderdag nooit meer zijn.

»
»
»