De wanhoop achter bundeltjes vondelingenkleren

"Dat is puur drama, zonder vals sentiment. Leed van een andere wereld die wij wel eens vergeten met al onze luxe."

Lodewijk Wagenaar, schrijver van het boek In het weeshuis, dat gisteren verscheen over het Amsterdams Burgerweeshuis, ziet de tragedie achter de bundels kleren van vondelingen die in Amsterdam bewaard bleven.

"Het zijn allemaal kleinoden: een luier, een pisdoek, allerlei rare dingen, een hemd van een volwassene dat gebruikt is om een kind te omzwachtelen tegen de kou. Men heeft er geen idee van hoe het hier ook geweest is. Cholera, tering, tbc, volstrekte wanhoop die wij alleen van verre landen kennen. Daar is de huidige economische crisis niets bij."

De pakketten bleven bewaard want een baby te vondeling leggen, was strafbaar. De kleertjes waren bewijs.

Riskant
"Rond 1800 ging het heel slecht. Mensen waren arm, er was geen werk, schepen voeren niet uit. Er werden in Amsterdam zo honderd kinderen per maand te vondeling gelegd. De kleren werden bewaard, zodat de vondelingenpolitie fijn nasporing kon doen."

"De briefjes die er bij zitten zijn ongelofelijk. 'Zorg goed voor mijn kind. Ik schaam me, maar ik kan niet anders'. Want wat moest je als ongetrouwde dienstmeid? Waar moest zo'n kind blijven als jij ging werken? Vaak was de omgeving ook arm, dus dat was geen optie."

Een briefje toevoegen was riskant, want het kon je verraden. "Zoals die wanhopige moeder die uit schaamte een briefje schrijft dat het kind Helena heet. En verdomd, dat had ze niet moeten doen, want ze geeft ook de doopdatum en zo wordt ze gepakt. Het kindje is dan inmiddels al dood, maar zij gaat het cachot in."

Schoentjes
Tussen de bundels zitten ook verhalen met een goede afloop. Zoals de Joodse baby die in de Tweede Wereldoorlog door haar ouders ter bescherming te vondel werd gelegd (voordat de bezetter uit voorzorg alle vondelingen als Joods ging beschouwen).

"Ik werd door de portier gewaarschuwd dat een vrouw mij iets willen vragen", vertelt Wagenaar over een ontmoeting in de jaren tachtig. "Van al die vondelingenpakketten die van 1890 tot in de twintigste eeuw bewaard zijn gebleven, had ik ook een paar opmerkelijke uit de oorlog opgesteld in het Amsterdams Historisch Museum. En zij herkende haar schoentje."

Het kind en de ouders hadden de oorlog overleefd en op basis van de beschrijvingen van haar ouders had de vrouw haar oude kleren herkend. "Het hele vondelingenpakket hebben we teruggegeven en het ligt tegenwoordig in het Joods Historisch Museum."

Rare namen
En wat als de ouders niet konden worden achterhaald aan de hand van de pakketten? De kleren werden opgeslagen, maar de kinderen moesten door. Door de regenten van het weeshuis kregen ze een geloof toegewezen (om beurten katholiek of protestants) en een naam.

 "Je mag een kind niet zomaar een bestaande familienaam geven", legt Wagenaar het proces uit. "Dus kregen ze vaak rare namen. Prinsehoek of Keizershoek als ze daar gevonden werden." En dat waren nog de gelukkigen. Pieter Potloot had een met potlood geschreven briefje bij zich. Cornelia Ansjovis werd gewoon naar de dagschotel vernoemd.

"Een van de latere directeuren heeft zich er kritisch over uitgelaten. Die maffe grappenmakers, dat kun je toch niet maken?"

Welke naam de baby ook kreeg, uiteindelijk wachtte hem of haar hetzelfde lot. "Ze werden bij minnen ondergebracht en zo goed als dat ging gefinancierd. Daarna werden ze naar de noordelijke provincies gestuurd, naar die afschuwelijke landbouwkoloniën daar. 'Weg ermee!'"

Alleen hun kleertjes in het archief herinnerden dan nog aan hun Amsterdamse afkomst.

Lodewijk Wagenaar - In het weeshuis: De zorg voor de burgerwezen van Amsterdam 1580 - 1960 - Thoth - 9789068685015 - € 19,90



Deel deze pagina

Nieuws

Video en Audio

Meer video en audio