In de laatste week voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen schrijven NOS-correspondenten over hoe die verkiezingen in hun land worden beleefd. Vandaag: Groot-Brittannië-correspondent Arjen van der Horst.
Een zekere opluchting konden de paratroepers van het Parachute Regiment niet verbergen. "Het is ontzettend moeilijk geweest", zei majoor Russel Lewis. "Het is er heet, droog en we moeten altijd veel bagage dragen. En dan hebben we natuurlijk nog een taaie vijand die hard vecht."
Een paar dagen geleden keerden ze terug van hun 'tour of duty' in Afghanistan. Negen kameraden moesten ze achterlaten, gedood door de Taliban. Het weerzien met de familie in Groot-Brittannië was emotioneel, de tranen vloeiden rijkelijk. Niemand die wilde denken aan het moment dat het regiment over een paar maanden weer moet terugkeren.
Het zal geen enthousiaste terugkeer zijn. De Britse onvrede over de strijd in Afghanistan wordt steeds groter, niet op de minste plaats in het leger zelf. Steeds meer hoge militairen laten al dan niet openlijk weten dat ze "de veldslagen winnen, maar niet de oorlog". Volgens sommige generaals is het onvermijdelijk om met de Taliban te gaan onderhandelen.
En daar zit meteen de zwakte van de Britten. De Amerikanen zijn faliekant tegen, want "met terroristen praat je niet". De Britten zitten in een patstelling. Hun buitenlandse en militaire beleid is nu eenmaal onlosmakelijk verbonden met dat van Washington. Links afslaan terwijl je Washington rechts gaat, is uit den boze.
Tandem Bush-Blair
De Britten noemen het that special relationship. De innige band tussen 10 Downing Street en 1600 Pennsylvannia Avenue gaat al terug tot de Eerste Wereldoorlog, maar zelden was die relatie zo sterk als onder de tandem Blair-Bush.
Beide leiders waren groot voorstander van het moreel interventionisme. Of beter gezegd: de bestrijding van het kwaad en de verspreiding van democratie door de loop van het geweer. Een heilig geloof dat tot twee bloedige oorlogen in Irak en Afghanistan leidde. Geen wonder dat de Amerikaanse presidentsverkiezingen hier op de voet gevolgd worden. Een radicaal andere president lijkt aan de macht te komen, met een radicaal andere blik op het buitenlands beleid.
In de laatste weken voor de Amerikaanse verkiezingen schrijven alle grote Britse kranten dagelijks drie tot vier pagina's over de verkiezingen. Het enthousiasme dat de verkiezingsstrijd losmaakt is duidelijk overgeslagen naar deze zijde van de grote plas, maar deels heeft dat ook te maken met eigenbelang. Wat gaat de nieuwe president doen met Irak en Afghanistan, is de vraag die de Britten bezighoudt.
De eerste zetten in het diplomatieke schaakspel zijn al gezet. Bush verloor vorig jaar zijn trouwe bondgenoot Tony Blair en met Brown aan het roer is de relatie met Amerika zakelijker geworden.
Groot-Brittannië en Amerika zijn geen "siamese tweeling" meer , liet Browns nieuwe staatssecretaris van Buitenlandse Zaken weten. Om de daad bij het woord te voegen heeft Brown het afgelopen jaar de Britse aanwezigheid in Irak verminderd.
Grote zet
Maar de echte grote zet moet van de Amerikanen komen, beseffen de Britten ook. Officieel heeft de Britse regering geen voorkeur voor een kandidaat, maar het is geen geheim dat Brown het liefst zaken zou willen doen met Obama.
De diplomatieke houding van Obama bevalt de Britten meer dan de 'big stick' benadering van McCain. Maar bovenal: Brown en Obama hebben dezelfde visie al het gaat om Irak en Afghanistan. Beiden willen afbouwen in Irak en juist meer troepen sturen naar Afghanistan.
Terugtrekken uit Irak zal de onvrede over Afghanistan niet meteen wegnemen. Maar als de gehate oorlog in Irak langzaam wegzakt in het collectieve geheugen, zal het voor de Britten een stuk makkelijker zijn de taaie oorlog in Afghanistan te verkopen. Net zoals that special relationship.
Eerdere aflevering van U.S. and them
Nairobi

»