Nederland hoeft geen schadevergoeding te betalen aan een overlevende en de nabestaanden van een slachtoffer van Srebrenica. Dat heeft de rechtbank in Den Haag bepaald.
Een Bosnische moslim, die als tolk voor Dutchbat werkte, en de nabestaanden van een Dutchbat-elektricien hadden de Nederlandse staat voor de rechter gedaagd.
Ze vinden dat de slachtoffers tijdens de val van Srebrenica (11 juli 1995 vielen Bosnisch-Servische troepen de moslimenclave binnen) aan hun lot zijn overgelaten.
Volgens de rechter werkten de mannen in Bosnië in dienst van de Verenigde Naties en niet van Nederland.
Bescherming
De elektricien en de familie van de tolk werden na de val van Srebrenica uit het VN-kamp gezet. Volgens de advocaat van de nabestaanden hadden ze recht op bescherming, omdat ze waren ingehuurd door Dutchbat.
Nadat ze waren weggestuurd, is er nooit meer iets van hen vernomen. De nabestaanden vinden dat een simpel pasje het leven van hun geliefden had kunnen redden.
Niet alles gedaan
Hun advocaat, Liesbeth Zegveld, stelde dat de leiding van het Nederlandse bataljon niet alles heeft gedaan wat in haar macht lag om de vluchtelingen uit handen van de Bosnisch-Servische troepen te houden.
"De commandanten gingen willens en wetens in tegen de instructie van de Verenigde Naties om mensen zoveel mogelijk te beschermen", aldus Zegveld.
De rechtbank heeft de nabestaanden van de elektricien en de tolk op alle punten in het ongelijk gesteld.
Bij de val van Srebrenica in 1995 kwamen zeker 7.000 mensen om het leven.

»
»
»