Dichter Ed Leeflang overleden

Door Jef van Gool



Een dichter die, wars van grote woorden en avantgardisme, een toegankelijke, maar daarom niet minder subtiele en precieze poëzie schreef die ook in de literaire kritiek op grote waardering mocht rekenen. Zo typeert uitgeverij De Arbeiderspers de dichter Ed Leeflang. Hij overleed maandag in zijn woonplaats Amsterdam. Leeflang is 78 jaar geworden. 'Waar het mij om gaat zijn de stille, beschouwelijke, introverte, Bach-achtige dingen,' zei hij in mei 1991 naar aanleiding van het feit dat hem de A. Roland Holst-penning was toegekend.

Ed Leeflang, op 21 juni 1929 geboren in Amsterdam-West en in 1940 verhuisd naar Haarlem, verloor zijn moeder toen hij nog geen dertien was. Door haar was al vroeg zijn belangstelling gewekt voor muziek, liederen en taal. In gedicht '1937' in zijn debuutbundel De hazen en andere gedichten tekende hij een liefdevol portret van haar.

Mijn moeder verloor haar portemonnee,

zij belde bij alle buren, omdat ze voor

zeven gulden kon koken, wassen en

huren. De school aan de overkant zocht

ook al mee. De hele stad wist er

volgens mij van hoe een kind zich

schamen kan. (…)

Die debuutbundel verscheen in 1979. In dit geval kan met recht worden gewaagd van een lang uitgesteld debuut, want in 1953 had de jury van de Reina Prinsen Geerligs-prijs (dat jaar gedeeld door Remco Campert en Ellen Warmond) het al een eervolle vermelding gegeven voor de gedichten die hij had ingezonden. Een jaar later werd De hazen en andere gedichten bekroond met de Jan Campert-prijs.

In en voor de klas

Op Pennewips plek (1982) was de titel van zijn derde bundel. Die maakt meteen duidelijk wat het thema van de gedichten is: het onderwijs. 

Als voormalig leraar Nederlands (eerst aan een lyceum in Zierikzee, daarna aan de Montessori-afdeling van de gemeentel?ke pedagogische academie in Amsterdam) kende hij de situatie op school van binnenuit. De helaas onvolkomen en afstandelijke verhouding tussen meester en leerling komt in bijna elk gedicht aan de orde. 

De bundel is ook een portrettengalerij van mensen in en voor de klas. Aad Nuis noemde het 'een bundel poëzie van de eerste rang', maar Rob Schouten bespeurde 'onontkoombare zwakheden'. De eerste druk had een oplage van maar liefst 2.500 exemplaren.

Water en land

In 1979 en 1980 vertaalde Ed Leeflang drie boekjes van Arnold Lobel: Kikker en Pad zijn vriendenMuizenverhalen en Bij Uil thuis. Niet uitgesloten is dat deze hem hebben geïnspireerd tot de twee bundels waarin de natuur centraal staat. 

In zowel De veren (1984) als Begroeyt met pluimen (1989, schitterend verlucht door Peter Vos) zijn het op de eerste plaats de vogels die worden beschreven. De zeekant is een plaats waar water en land elkaar dagelijks ontmoeten. Op dit scheidingsvlak leven bijzondere dieren en planten en veroorzaken wind en zon telkens andere decors. 

Wandelend langs de vloedlijn tekent de dichter op wat hij ziet en ervaart, zoals in 'Bij vloed':

Er daalt een helder licht op prei,

op kool. Een populierenrij

staat afgetopt in stijve kragen.

De akkers, te doodstil voor plagen,

lopen schuin naar een verre dijk,

waarboven masten en een pijp

traag op en neer gaan, een bedwongen

popelen, aan niets ontsprongen

dan oud gebruik, een nieuwe vloed

die alles tilt. Daar moet wat moet.

De meeste gedichten uit De veren zijn opgenomen in de in 1985 verschenen bundel Bezoek aan het vrachtschip. Die wordt gedomineerd door het titelgedicht, een relaas van 177 regels van het bezoek aan een onttakeld schip dat verweerd en verroest in het IJ voor anker ligt. 

Subtiel dichter

In 1992 kwam Late zwemmer uit, zijn zesde bundel. Die telt drie afdelingen met in totaal 42 gedichten. De natuur en de zee komen opnieuw regelmatig voor, maar de onderwerpen zijn wat meer divers dan in zijn voorgaande bundels. Een ironisch getekend zelfportret is een van de vele poëtische hoogtepunten. 

Tom van Deel noemde hem naar aanleiding van Liereman (1996), zijn zevende bundel, een subtiel dichter die intrigerende en beeldende gedichten schreef en dat vaak met een verholen humor deed. De titel heeft zowel betrekking op de muziek als op de dichtkunst. Zo zingt de dichter wel eens zijn eigen gedichten, waarbij hij zichzelf begeleidt op een snaarinstrument. 

In 'Ideeënbus' wordt gesuggereerd om traditionele muziekinstrumenten als de luit en de tamboerijn uit te delen, want 'het willige oor verloor de moed / met drums en electronica'.

Sleutelbos

Een keuze uit de zeven bundels die hij tussen 1979 en 1996 schreef, was de in 1999 bij De Arbeiderspers verschenen bloemlezing Sleutelbos

Van elke bundel nam hij minstens zeven maar meestal meer gedichten op. Met de titel wilde hij duidelijk maken dat de gedichten toegang bieden tot de kamers waarin hij heeft geleefd en die elk met een andere sleutel geopend moeten worden. 

Samen vormen die zeven kamers een huis, het huis van de dichter die nu is gestorven. 

Deel deze pagina

Nieuws

Video en Audio

Meer video en audio